Categorie archief: 100 jaar

100 JAAR: JOOP ELDERS

Johan Hendrik Willem (Joop) Elders  werd op 8 april 1917 geboren in Nijmegen.
Elders genoot zijn muziekopleiding aan de conservatoria van Aken en Luik met als hoofdvakken viool, piano en fluit. Daarna studeerde hij enkele jaren harmonie en compositie bij Henri Hermans in Maastricht.

Joop_Elders_in_de_omroepmuziekwiki
Zijn muzikale loopbaan begon als fluitist bij het Arnhems Orkest. Na twee jaar stapte hij over naar het orkest van John van Brück, waarmee hij door Europa toerde.
Tijdens de mobilisatie had hij de leiding over het uit 80 man bestaande orkest van  het bataljon Jagers in Loosduinen. Na de demobilisatie kwam Elders terecht bij de Amsterdamse bioscoop Cinema Royal. Vanaf 1941 speelde hij vier jaar lang in het Groot Amusementsorkest van Elzard Kuhlman.

Joop Elders was fluitist van het eerste uur bij het  in 1945 opgerichte Metropole Orkest. Hij speelde in het orkest tot aan zijn dood in 1974. Evenals o.a.  Dolf van der Linden  en  Jos Cleber  bleek hij in staat om te arrangeren voor een groot bezetting. Decennialang was hij een van de voornaamste arrangeurs van het Metropole Orkest. In navolging van Jos Cleber legde hij zich met name toe op het schrijven van bewerkingen van operettefragmenten en licht-symfonische muziek, al deinsde hij ook niet terug voor het onversneden amusementswerk. Elders schreef ook arrangementen voor  Malando.
In de loop der jaren leidde Elders een aantal radio-ensembles, waaronder Selecta en de  Whistling Pipers  (NCRV).

In de omroepmuziekcollectie bevinden zich meer dan 1200 arrangementen van zijn hand. Hij componeerde ook een aantal orkestwerken, waaronder  Suerte da capa en Primavera.
Joop_Elders_Primavera
De ‘bescheiden fluitist-arrangeur’ (Tukker) Joop Elders overleed onverwachts in Hilversum op 5 juni 1974.


Fluitist Joop Elders als een van de solisten in Taboo

Jan Jaap Kassies

Bronnen:
• Algemene Muziek Encyclopedie (De Haan, Haarlem)
• Interview in het Limburgs Dagblad (3 september 1963) (op Delpher)
• Bas Tukker: Dolf van der Linden, de vader van het Metropole Orkest (2015)
Joop Elders in de OmroepmuziekWiki

TOON HERMANS ALS LIEDJESSCHRIJVER

Toon Hermans (1916-2000) was niet alleen volgens velen de grootste Nederlandse artiest van de vorige eeuw, hij was ook een van de veelzijdigste. Behalve cabaretier, zanger, schrijver, schilder en decorontwerper was hij ook een productief liedjesschrijver. Dat bleek onlangs weer toen de liedjes die hij schreef voor de eerste Nederlandse (radio)musical na zo’n 60 jaar weer boven water kwamen. Toon-biograaf Jacques Klöters gebruikte hiervoor de term ‘oorwurmen’: het zijn vaak melodieën die na ze gehoord te hebben nog lang in je hoofd blijven naklinken.

Voor vrijwel al zijn liedjes schreef Hermans zowel de tekst als de muziek. ‘Schrijven’ is wat de muziek betreft misschien een misleidende term: hij kon geen noten lezen of een muziekinstrument bespelen.
Klöters: ‘Als Toon een liedjestekst schreef, hoorde hij gelijktijdig een melodietje in zijn hoofd. Maanden later las hij de teksten weer over en kwamen diezelfde melodiëen terug in zijn hoofd en kon hij ze met zijn pianist uitwerken.’ ‘Govert van Oest [jarenlang de vaste pianist bij de optredens van Toon Hermans, JJK], kwam veel bij hem thuis om de nieuwe melodieën te noteren en om te zetten in muziek. Toon had zelf een notenschrift ontwikkeld dat bestond uit nummertjes die hij op de toetsen van zijn piano had geplakt en die hij dan in de juiste volgorde noteerde.’
Klöters, die in de jaren ’90 veel contact had met Hermans (o.a. voor de serie tv-gesprekken Gewoon Toon), herinnert zich een voorval uit die jaren. Ze zaten eens samen in de auto op weg naar een theater, toen Toon zei: ‘Nu ga ik even een liedje maken’. Hij neuriede een melodie, nam deze op op een dictafoon en aangekomen in het theater werkte hij het uit met de pianist van dienst.

De ‘pianozettingen’ voor de bladmuziekuitgaven werden door anderen genoteerd, zoals Peter Kellenbach, Rinus van Galen en Joop Portengen. In latere jaren werkte hij o.a. samen met Henk Westrus aan de grammofoonplaat Liedjes voor jou.

Aan het begin van zijn carrière, midden jaren ’40, werkte Hermans nog wel samen met anderen aan liedjes. Zo schreef hij met Johnny Steggerda, muzikaal leider van het revuegezelschap waarvan o.a. ook Gerard Walden en Berry Kievits deel uitmaakten, de liedjes Sous mon parapluie d’amour  en Er was eens… een meisje.

Uitgaven van twee liedjes van Toon Hermans

Uitgaven van twee liedjes van Toon Hermans

De naam ‘Toon Hermans’ was indertijd kennelijk nog niet zo algemeen bekend: op het omslag van de laatstgenoemde uitgave staat als tekstschrijver ene ‘Tom Hermans’ vermeld (‘binnenin’ stond wel de juiste naam.)

In 1945 schreef hij een variant op het lied De kleine man van Louis Davids, bij Hermans ‘Jansen’ genaamd. In 1948 had de plaatopname van de opvolger De jeep van Jansen veel succes.

In diezelfde periode ontstonden o.a. We gaan weer net zoals we vroeger gingen naar Scheveningen, Little girl in Holland, ’n Zomeravond op het Leidscheplein, Als je persé de see wil sien… en ’n Broodje pi, een broodje pa…, een broodje paling.

5x_toon_hermans-liedjes
In de tweede helft van de jaren ’60 werden verschillende liedjes echte hits: 24 rozen, Sien, Méditerranée en natuurlijk Mien waar is m’n feestneus.  Naast laatstgenoemde schreef Hermans nog enkele carnavalskrakers: voor het Carnaval in 1969 bv. Kiele, kiele, kiele  (De bène van Hélène), dat hij samen met de Driedonken Blaaskapel op de plaat zette.

Voor de Efteling bedacht hij de bekende melodie voor  Carnaval Festival, in opdracht van  Joop Geesink. De keuze van Geesink voor Toon Hermans is niet verwonderlijk: Hermans was in de vroege jaren tachtig enorm populair, mede door het aantal (feest)nummers van zijn hand. Er ontstond een samenwerking met Ruud Bos, die samen met Toon in de theaters stond , en de Efteling. Nadat Toon Hermans nadacht over een vrolijke melodie na het zien van Geesinks ideeën voor de attractie, floot hij deze uiteindelijk voor Ruud Bos die er de noten bij zocht, en het net zo vaak op de piano speelde tot het precies was wat Hermans bedoelde.

Voor zijn (geflopte) film Moutarde van Sonansee (1959) schreef Hermans zo’n twaalf liedjes, waaronder Het lied van de wandelclub (Jo met de banjo); Dolf van der Linden maakte de orkestarrangementen.

Een speciaal geval is de (titelloze) radiomusical die Hermans in 1953 schreef. Op aangeven van biograaf Jacques Klöters werd in de Muziekbibliotheek van de Omroep het materiaal van de liedjes eruit teruggevonden waardoor het mogelijk was een nieuwe opname te maken (de oorspronkelijke opname met het AVRO-orkest de Zaaiers is niet bewaard). De orkestratie is van de hand van Jos Cleber. De opname (met solisten, een ensemble uit het Groot Omroepkoor en het Metropole Orkest o.l.v. Maurice Luttikhuis) wordt uitgezonden op zondag 18 december, vanaf 10.02 uur in het programma De Sandwich op Radio 5. Het is dan na ruim 63 jaar mogelijk te beoordelen of het te betreuren is dat deze eerste Nederlandse musical (!) nooit het theater heeft gehaald.

Jan Jaap Kassies

Bronnen:
• Jacques Klöters: Toon – de biografie (Nijgh & Van Ditmar, 2010, onlangs herdrukt)
www.Eftepedia.nl

HERONTDEKTE RADIOMUSICAL TOON HERMANS OPNIEUW TE HOREN

Dit artikel is een voorpublicatie uit Kwartaalblad Aether (afl. 122)

Jacques Klöters presenteert de musical comedy van Toon Hermans

Jacques Klöters presenteert de musical comedy van Toon Hermans (De Sandwich (v.a. 21′), 18 december 2016)

Toen cabaretkenner en theaterwetenschapper Jacques Klöters onderzoek deed naar het leven van Toon Hermans (het resultaat: Toon, de biografie verscheen in 2010) stuitte hij op een verrassing: hij ontdekte dat de AVRO-radio op 24 mei 1953 een ‘musical comedy’ heeft uitgezonden waarvoor Hermans zowel de tekst als de muziek heeft geschreven.
Eind 1952 reisde hij naar de Verenigde Staten, om in Californië op te treden voor de Nederlandse kolonie. Met de Nieuw Amsterdam voer hij naar New York, en vervolgens ging hij per trein verder. Tijdens die reis – die vier dagen en vier nachten duurde – schreef hij naar eigen zeggen 18 liedjes voor een musical. Hij zag veel in dit genre, dat in Nederland nog niet bekend was.
Klöters: ‘Als Toon een liedjestekst schreef hoorde hij gelijktijdig een melodietje in zijn hoofd. Maanden later las hij de teksten weer over, kwamen diezelfde melodieën terug in zijn hoofd en kon hij ze met zijn pianist uitwerken.’

Manuscript van het arrangement van Toon Hermans' musical comedy

Manuscript van het arrangement van Toon Hermans’ musical comedy en draaiboek bij de uitzending op 24 mei 1953

Na terugkeer in Nederland werkte hij zijn notities uit, en de AVRO besloot van de musical een radio-opname te maken. Jos Cleber maakte op basis van de schetsen de orkestraties voor zijn ensemble De Zaaiers, en het vocale aandeel werd toevertrouwd aan solisten Ans Heidendaal, Jetty Paerl, Bert Robbe, Christine Spierenburg en Anton Eldering en het Radiokoor. Op 21 mei 1953 vonden de opnamen plaats, en op zondag 24 mei werd de musical uitgezonden. De opnamen zijn helaas niet bewaard gebleven. Klöters: ‘[De musical] blijkt een fiasco. Volgens Toon is het de schuld van het koor. Hij vraagt zich af hoe mensen die normaal cantates van Bach zingen, musicalnummers kunnen zingen als: “Wie hebben alle charme? Juwelen an d’r armen? De girls! De girls! De girls!”’

Vondst
Niet lang voor de sluiting van de Omroepmuziekbibliotheek (1/8/2013) kwam een mail van Jacques Klöters binnen met de vraag of zich in de collectie mogelijk materiaal van de musical bevond. Het was geen van de medewerkers bekend; de oudste delen van de collectie (die ca. 5 kilometer bladmuziek omvat) zijn nog niet volledig geïnventariseerd. Gelukkig noemde Klöters meteen de naam van het orkest dat had meegewerkt: De Zaaiers.

De Zaaiers o.l.v. Jos Cleber (1953)

De Zaaiers o.l.v. Jos Cleber (1953), sleutel voor de herontdekking van de musical van Toon Hermans

Een aanzienlijk deel van de ‘oude collectie’ van de Omroepmuziekbibliotheek is gerubriceerd ‘op ensemble’; daardoor kon snel worden vastgesteld dat een omvangrijke hoeveelheid bladmuziek, inclusief het tekstboek, zo’n zestig jaar had liggen wachten op ontdekking. Opnieuw bleek dat de collectie uniek erfgoed bevat: de afgelopen jaren zijn handgeschreven composities opgedoken van o.a. Jurriaan Andriessen, Hanns Eisler, Hans Henkemans, Boy Edgar, Harry Bannink en Theo Loevendie.
De honderdste geboortedag van Toon Hermans, op 17 december, is aanleiding voor tal van vormen van eerbetoon. Radio 5 (De Sandwich) zendt een nieuwe opname uit van zijn musical, waarmee eens te meer zijn veelzijdigheid wordt benadrukt. Solisten, leden van het Groot Omroepkoor en het Metropole Orkest onder leiding van Maurice Luttikhuis geven de luisteraar de mogelijkheid zelf te oordelen over de eerste Nederlandse musical, die aan de vergetelheid is ontrukt.

Klik hier om de uitzending te starten

Jacques Klöters over de vergeten musicalliedjes van Toon Hermans (AVROTROS Nieuwsshow, 2016)

Klik hier om de uitzending te starten

Jacques Klöters over oude opnamen van Toon Hermans (Knevel & Van den Brink, 2013)

Promotiefilmpje voor de NPO Radio 5-uitzending op 18 december 2016

Jan Jaap Kassies

Lees ook: Toon Hermans als liedjesschrijver

100 JAAR: JOOP PORTENGEN

Joop Portengen, geboren op 3 december 1916, volgde een cursus harmonieleer bij Karel Mengelberg en studeerde vervolgens compositie- en orkestratieleer. Sinds het midden van de jaren ’30 schreef hij een groot aantal liedjes, maar ook muziek voor films, ballet, de Snip en Snap Revue en orkestarrangementen, o.a. voor de Skymasters. Het AVRO-Dansorkest o.l.v. Klaas van Beeck speelde zijn muziek het eerst en daarna werden zijn liedjes ook internationaal bekend.
Met John Möring vormde hij korte tijd het duo Mo en Po.
Portengen heeft zich ook een aantal jaren bewogen op het terrein van de muziekuitgeverij en de grammofoonplatenproductie (Artone).
joop_portengen_limburgs_dagblad_1966
In 1964 zong Anneke Grönloh het liedje Weer zingt de wind (tekst: Gerrit den Braber) tijdens de nationale voorronde van het Eurovisiesongfestival. De zangeres zou dat in Kopenhagen liever hebben vertolkt dan  Jij bent mijn leven.  (video)
Enkele andere bekende titels van zijn hand: Harlekino (gezongen door Imca Marina), de Trappelzak Boogie (samen met Jack Bulterman; Portengen tekende tevens voor de stemmen van de kleuters), As ‘k boven op de Dom kom  op tekst van Rijk de Gooyer, die het in 1956 ook op de plaat zette (in zijn ‘Bartels’-creatie, video)       en niet te vergeten Glaasje op laat je rijden (tekst: Willem van Kooten), oorspronkelijk een slagzin voor het Verbond voor Veilig Verkeer, en in 1966 een grote hit in de vertolking van Sjakie Schram. Glaasje_op laat je rijdenBinnen enkele weken werden er 200.000 exemplaren van verkocht. (video)

Joop Portengen overleed op 11 juli 1981.

Jan Jaap Kassies

Bron:
• H. Mildenberg – De Nederlandse lichte muziek van A-Z (Strengholt, 1981)

Lees ook: Joop Portengen lijfcomponist van na-oorlogse zangsterren (Limburgs Dagblad, 5 maart 1966)

Op 12 februari 2017 zond RTi Hilversum/6FM deze Joop Portengen-aflevering van Co Snels radioprogramma Studio Hilversum uit.

100 JAAR PI VÈRISS

Honderd jaar geleden werd een man geboren van wie iedereen een of meer liedjes kent, maar wiens persoon altijd verscholen is gebleven achter zijn muziek. Over die persoon is weinig gepubliceerd; hier volgt een summiere aanzet tot een hopelijk ooit lijviger artikel. Naast Wikipedia is vooral geput uit het nog altijd nuttige boek ‘De Nederlandse lichte muziek van A-Z’ van Henry Mildenberg (uitg. Strengholt, 1981).

Pi Vèriss (werkelijke naam: Piet Visser) studeerde na zijn HBS-jaren trompet aan het Amsterdams Conservatorium. Hij is daarna de rest van zijn leven bezig gebleven op het gebied van de Nederlandse lichte muziek: creatief, uitvoerend, organisatorisch en technisch. Hij begon al heel vroeg met het schrijven van tekst en muziek voor solisten en groepen, ging als trompettist en trombonist spelen in allerlei formaties en orkesten (o.a. The Ramblers) en toerde daarmee veel door diverse Europese landen. Daarbij trad hij ook dikwijls als zanger op. In de jaren ’60 was Vèriss secretaris van Vereniging Woord- en Toondichters der Lichte muziek (een voorloper van de Vereniging Popauteurs.nl).
pi_veriss_bonte_paradeVèriss trad in 1934 voor het eerst op en leidde enige tijd een dans- en showorkest, waarmee hij in de jaren na de Tweede Wereldoorlog ook in het buitenland bekendheid verwierf. Hij vertaalde liedjes en schreef Nederlandse teksten bij muziek van buitenlandse liedjes, maar schreef ook ca. 3000 teksten en melodieën, waarvan de bekendste Geef mij maar Amsterdam is. In de BUMA-registratie staan Harry de Groot en Vèriss samen vermeld als de liedschrijvers, maar in werkelijkheid componeerde Vèriss de klassieker in 1952, drie jaar voordat Johnny Jordaan het opnam.
geef_mij_maar_amsterdam_verissVèriss schreef overigens diverse ‘Amsterdamse liedjes’, niet alleen voor Johnny Jordaan. Enkele voorbeelden: De zon schijnt voor iedereen en Als je voor een cent geboren bent.
In 1953 werden componist Joan Fresco en tekstdichter Pi Vèriss onderscheiden met de Schoonheidsprijs van de stichting Onze Lichte Muziek voor hun lied Gouden zonnestralen.
Vèriss dichtte ook de teksten van De Selvera’s-hits als De kleine postiljon, Bloedrode kralen en Dat torentje van Pisa.
Samen met Ad van der Gein van het Cocktail Trio schreef hij Op het goudgele strand (van Ameland), een van de grootste successen van Johnny (Kraaijkamp) en Rijk (de Gooyer) in de begindagen van dit populaire duo. In 1958 stonden beide artiesten in de Amsterdamse zolderstudio van Pi Vèriss voor de plaatopname van hun legendarische hit. Vèriss schonk de lokale omroep MokumTV de unieke 8mm-filmopname van deze sessie.

Bij de credits op de hoes van hun langspeler Holland (1973) bedanken de Beach Boys ‘Uncle Pi’ voor het beschikbaarstellen van zijn studio voor die, in Baambrugge opgenomen, plaat. Deze aflevering van het VPRO-programma Andere Tijden blikt terug op het drie maanden durende verblijf van de  beroemde band in Nederland (Pi Vèriss wordt daarin overigens niet met name genoemd).

Pi Vèriss werd in 1986 onderscheiden met de Gouden Harp.
Hij overleed op 11 november 1998.
pi_veriss_mokumtv

Titels van Pi Vèriss in de omroepmuziekcollectie (incl. 11 muziekschatten)

Jan Jaap Kassies

PIERRE WIJNNOBEL, BEDRIJVIG LAVEREND TUSSEN SWING EN COVER

Pierre Jean Carel Wijnnobel werd op 5 augustus 1916 in Leiden geboren. Zijn ouders hadden een manufacturenwinkel aan de Breestraat in de Sleutelstad. Van pa en ma moest Pierre economie gaan studeren. Dat was goed voor de toekomst. In die jaren gehoorzaamden kinderen hun ouders, dus Pierre zat al snel met zijn neus in de boeken. In zijn vrije tijd wilde hij de zinnen verzetten met muziek maken. Hij mocht privéles nemen voor piano en harmonieleer. Op 16-jarige leeftijd speelde hij contrabas in het Leidse jazzcombo The Crackerjacks. In 1938 en 1939 hanteerde Wijnnobel de trombone en de bas bij The Bright Sparks. Daarna kwam hij terecht bij The Moochers, eerst onder leiding van Tony Helweg – die we na de oorlog als tenorsaxofonist en klarinettist bij De Ramblers tegen zouden komen – daarna onder leiding van de later zo beroemd geworden pianist/trombonist/bandleider Boy Edgar. In 1940 wonnen The Moochers een prestigieus concours in Brussel. Op 26 november 1940 voltooide Wijnnobel zijn studie economie (nota bene op de dag dat prof. Cleveringa in Leiden protesteerde tegen het ontslag van Joodse hoogleraren). The Moochers noemden zich in de oorlog De Klaplopers, omdat de bezetter geen Amerikaanse namen en swing duldde. Wijnnobel ging echter verder met The Swing Papa’s, in de oorlog Slingervaders genoemd, voorloper van op 5 mei 1945 opgerichte Dutch Swing College Band. Hij kreeg in de oorlog een oproep voor militaire dienst, maar daar gaf hij geen gehoor aan. Wijnnobel ging met tenorsaxofonist Willy Verra, ook lid van The Swing Papa’s, bij Klaas van Beeck in Leiden wonen. Van Beeck was vóór de oorlog leider van het AVRO-Dansorkest en had in de oorlog een eigen dansorkest. Op een gegeven moment werd het te gevaarlijk op het onderduikadres. Wijnnobel reed met een auto van het Rode Kruis mee naar Brussel en daarna door naar Parijs. Daar ontmoette hij gitarist Django Reinhardt en ging musiceren in de band van Hongaar Paul von Béky, onder meer in de concentratiekampen Natzweiler (nabij Straatsburg) en Stutthof in Polen.

Paul van Béky engageert Pierre Wijnnobel

Paul van Béky engageert Pierre Wijnnobel

Pierre Wijnnobel, als 20'er

Pierre Wijnnobel, als 20′er

BIJ DE RAMBLERS
Na de oorlog ging Wijnnobel terug naar Brussel en speelde hij enige tijd in Dancing Corso met Jean Baptiste Thielemans. Hij had nog niet de bijnaam Toots en speelde nog geen mondharmonica, maar gitaar. Wijnnobel had enige tijd een eigen band in Brussel, waar ook De Ramblers optraden. Leider Theo Uden Masman vroeg of hij tweede trombonist bij zijn band wilde worden. Daar had Wijnnobel wel oren naar. Hij arrangeerde en componeerde bijvoorbeeld Lucky number en Ramblers Boogie Woogie in 1948 en Abebelebop in 1950. Omdat Jack Bulterman De Ramblers had verlaten om in België te gaan werken, wilde Wijnnobel ook Nederlandstalige liedjes voor de Ramblers schrijven. Het bleef bij Die avond in mei (1950), gezongen door Marcel Thielemans, want kort daarop verliet hij noodgedwongen De Ramblers. Omdat de optredens terugliepen en de gages minder werden, ging Theo Uden Masman door met een kleinere bezetting. Wijnnobel had er alle begrip voor. Ook omdat hij diep in zijn hart wist dat hij het als trombonist moest afleggen tegen Marcel Thielemans. Maar wat nu? Hij wilde wel een vaste baan en solliciteerde daarom bij de KLM en NS. Maar hij koos uiteindelijk toch voor de muziekbusiness; niet als trombonist, pianist of bassist, maar als componist/tekstschrijver en arrangeur.

KOM D’R IN EN OVER DE BRUG
Wijnnobel ging bij platenmaatschappij Phonogram werken. Schreef in 1952 Dat heb je al meer gedaan voor Karel van der Velden begeleid door AVRO’s Dansorkest The Skymasters o.l.v. Bep Rowold en had een hit te pakken met Kom d’r in, de Nederlandse versie van het Fontane Sisters-succes: Let me in, gezongen door The Swinging Nightingales onder de hoede van Gerard van Krevelen. Op deze site staat veel bladmuziek van arrangementen, die Wijnnobel in 1953 en 1954 schreef voor het Metropole Orkest en solisten die optraden in het VARA zaterdagavondprogramma Showboat van producer Karel Prior. Dat waren vooral liedjes van anderen. In 1954 vertaalde Wijnnobel de song Cross over the bridge, een succes van Patti Page in Amerika en The Beverly Sisters in Engeland. Het werd gewoon Kom over de brug voor Helma en Selma. Make love to me, de hit van Jo Stafford veranderde in Leen me nog een kusje, gebracht door Annie Plevier en Karel van der Velden met The Skymasters. Van der Velden soleerde in een lied waarvoor Wijnnobel tekst en muziek had geschreven: Welbedankt voor het gezellige avondje.

SPRINGPLANK
In 1954 verliet Ger de Roos de KRO. Het Orkest Zonder Naam werd De zingende en spelende Troubadours. De Bietenbouwers (De Roos was Boer Biet) veranderden in de Boertjes van Buuten en de Van Zessen Klaar Club, waarin nieuw talent een kans kreeg, werd De Springplank. Wijnnobel coachte met orkestleider Jo Budie en producer Ton Kool jonge zangers, zangeressen, groepjes en instrumentalisten. Ze gingen ook het land in op zoek naar talent. Wijnnobel begeleidde ze aan de piano. Het duo Black & White – Black = Jan Klumperman uit Rotterdam en White = Eugen Gaiser uit Delft – had nog net gedebuteerd in de Van Zessen Klaar Club in 1954 met Daar bij de waterkant en The little shoemaker. Wijnnobel heeft de 25 platen (78- en 45-toeren) die het duo maakte tussen 1954 en 1963 geproduceerd, van teksten en begeleiding voorzien. Liedjes als Wij met z’n twee (Tango for two) en Ay, ay Olga (muziek Pierre Wijnnobel/tekst: Kees Schilperoort), Tom Hark, Una marcia in fa en Oh, die Elisabeth (die zo lekker koffie zet). Op diverse platen werd Black & White gekoppeld aan The Melody Sisters, de tweeling Julie en Elly Lankester uit Amsterdam. Bijvoorbeeld in het Engels Sh-Boom en Hearts of stone in 1954 en The naughty lady of Shady Lane en Mister Sandman in 1955. Wijnnobel vertaalde Boom boom boomerang, het succes van The De Castro Sisters en Hummingbird (Kijk uit voor de mannen) origineel door Les Paul & Mary Ford of Frankie Laine in 1955. Daarnaast arrangeerde hij Carina (o.a. van Arturo Testa) en Itsy bitsy teenie weenie Honolulu strandbikini in 1960 (in Amerika door Bryan Hyland als Itsy bitsy teenie weenie yellow polkadot bikini) en in Duitsland door o.a. de Club Honolulu (inclusief Caterina Valente) of The Blue Diamonds in het Duits. Daarnaast oorspronkelijk werk van Pierre, dus tekst en muziek van Vivace (1959) en Luxemburg rag (1960).

Wijnnobel zorgde tussen 1956 en 1962 ook voor het repertoire op de 12 singles van The Butterflies, de broers Godert en Luc van Colmjon uit Amersfoort. Dit betrof vaak bewerkingen van dixielandnummers: Muskrat ramble werd (Wij zijn stapelgek op) Dixieland, When the Saints go marchin’ in veranderde in Oom Ben was eens een machinist en Doctor Jazz kreeg een Nederlandse tekst. Daarnaast ook licht teenagerwerk als Willem wordt wakker (Wake up little Susie van The Everly Brothers) in 1958, Ding Dong, de hit van The McGuire Sisters in 1959 en Van je 1,2,3 (High Society) in 1960. Eigen werken van Wijnnobel voor de Amersfoortse keien met de vlinderdasjes waren Bobby heeft een hobby (dat is een klarinet) in 1958, Baby Doll in 1959, Mary in 1960 en Hapskidi bidi in 1961.

IN DE BUS VAN BUSSUM NAAR NAARDEN
The Butterflies waren gestart in 1956. Dat was een vruchtbaar jaar voor Pierre Wijnnobel. Hij schreef voor De Windmolens o.l.v. Johnny Holshuysen met Truus Koopmans en Dick Doorn: Mijn Marleentje (die zo lekker koken kan) en voor Annie de Reuver Hij speelt zo mooi accordeon. The Skymasters namen twee composities van Wijnnobel op: Royal palace blues en Moonliner. Maria Dieke kwam over uit Zweden en maakte een plaat met The Skymasters. Ze kreeg een hit met de vertaling van Way way down in way-way-te-nango van Dave Coleman. Dat werd In de bus van Bussum naar Naarden, ook gebracht door Helma en Selma. Annie Palmen en Jan van der Most zongen de Nederlandse versie van Just walkin’ in the rain, het succes van Johnnie Ray. Met De Klavirtuozen o.l.v. Jo Budie (KRO) trapten ze samen in een plas in het lied ‘t Regent dat het giet. Ook een geheide hit in 1956 was Klappermelk met suiker door The Amboina Serenaders o.l.v. Rudi Wairata met zang van Joyce Aubrey en Ming Luhulia. In 1957 veranderde Come pretty little girl van Vendla Shepard in Kom lieve kleine meid door Max en Marga van Praag of Teddy en Henk Scholten met Leila, de dochter van Rita Reys. In 1957 ook het debuut van het damestrio The Spotlights met ’t Was in december, een oorspronkelijk nummer van Wijnnobel. Tijdens audities voor De Springplank had hij Greetje Kauffeld ontdekt. Hoewel hij veel voor de KRO werkte, verloor hij Greetje aan de AVRO. Ze ging zingen bij The Skymasters van Bep Rowold.

De platenmaatschappijen wisten in de late jaren ‘50 nog niet zo goed raad met het repertoire voor teenagers. The Butterflies waren zo nu en dan in dixieland en de jongste Butterfly Godert van Colmjon zong met de jonge Shirley Zwerus in 1958 zijn Mambo Olé. Nu niet bepaald een dans voor tieners. Maar in 1959 slaagde Wijnnobel er toch in om leuke teksten te schrijven voor The Fouryo’s uit Amsterdam. Tell him no van Travis en Bob, Come softly to me van The Fleetwoods, Makin’ love van en door Floyd Robinson en Seven little girls van Paul Evans and The Curls in Amerika of The Avons in Engeland, werden achtereenvolgens Zeg niet nee, Kom bij me darling, Makin’ love (verder Nederlands) en Zeven leuke meisjes.

RAG EN BACH
In de platenstudio begeleidde Pierre Wijnnobel naast Jack Bulterman en Bert Paige diverse artiesten. Conny van den Bos, toen nog niet aan elkaar geschreven, ook een van zijn ontdekkingen, zong met zijn orkest in 1961 Ninotchka (Midnight in Moscow) en in datzelfde jaar Herman van Keeken met een cover van het Ray Peterson succes Corinne, Corinna. Dat begeleidingswerk heeft hij niet doorgezet. Wijnnobel hield zich vooral op in de KRO-studio. Hij arrangeerde en componeerde nummers als Sweet swing low, een bounce voor het KRO-Dansorkest o.l.v. Klaas van Beeck, zijn oude makker uit de oorlog. De koren Aethercharme en De Woudzangers o.l.v. Marinus van ’t Woud hadden bewerkingen van Wijnnobel op de lessenaars voor het KRO-programma Wij zingen de wereld rond. Het NCRV-ensemble Saxophonia o.l.v. Cees Verschoor nam zijn compositie Sax-appeal op het repertoire. In 1953 uitgevoerd door het Metropole Orkest.

Wijnnobel bleef gek op de ragtime, die al lang uit de mode was. Zo componeerde de ragtimes Carneval, Hamburg, Paris en French Rag. Enkele werden in 1964 op de plaat gezet door Ivan’s Oldtimers.

In 1964 vertaalde Wijnnobel de musicalsong Hello Dolly, het succes van o.a. Louis Armstrong en Hey! look me over (Hé, ouwe jongen) uit de musical Wild Cat voor acteur Johan Kaart. In 1965 bewerkte hij A windmill in old Amstedam van Ronnie Hilton. Dat werd Een muis in een molen in mooi Amsterdam door Rudi Carrell en De Damrakkertjes. A world of our own van The Seekers werd als Liever thuis met z’n twee door The Sunbeams gebracht. Begin 1965 scoorde Ronnie Tober met Iedere avond, een tekst van Wijnnobel op Twilight time van o.a. The Platters in 1958. In 1966 enkele vertalingen voor de LP De Ronnie Tober Show. Bijvoorbeeld De wereld is wel tienmaal mooier (Rags to riches door Tony Bennett in 1953), Ik kan je niet vertellen (I can’t begin to tell you door Bing Crosby in 1946) en The first night of the full moon in 1964 door Jack Jones. Dat werd Marijke uit Krabbendijke.

Dat was wel zo’n beetje het laatste wat we vernamen van de maestro. Wijnnobel leidde een eigen orkest, dat niet op de radio te horen was en hij verdiepte zich in ingewikkelde arrangementen van Bach. In 1967 speelden The Skymasters zijn compositie Minirock. De belangrijkste bezigheid was het runnen van een Bed en Breakfast Hotel in de Amsterdamse Vossiusstraat. Dat deed hij tot op hoge leeftijd met zijn Luxemburgse vrouw Jeanne (Joan) Kutter. Wijnnobel overleed op 9 januari 2010 op 93-jarige leeftijd. Hij zei vaak: “Ik ben blij dat ik nergens aangenomen ben, anders had ik nooit zo’n spannend leven gehad”.

pierre_wijnnobel

Tekst: Co Snel

Bronnen: De Leidse Jazzgeschiedenis 1899-2009 door Cees Mentink, Peter de Waard in De Volkskrant, Omroepmuziekwiki en eigen geheugen.

* Pierre Wijnnobel in de OmroepmuziekWiki (incl. werkenoverzicht in de omroepmuziekcollectie)

Op 31 juli 2016 zond RTi Hilversum deze Pierre Wijnnobel-aflevering van Co Snels radioprogramma Studio Hilversum uit.

100 JAAR JOS CLEBER

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in kwartaalblad Aether, nummer 120.

Jos Cleber, uit te spreken als Jos Clébèr. Trombonist, componist, arrangeur, orkestleider, producer. Zijn bekendste compositie schreef hij in 1957: De postkoets, oorspronkelijk als herkenningsmelodie voor het radioprogramma Met de postkoets door Nederland Met een tekst van Ferry van Delden – “Ver over berg en dal klonk er het hoorngeschal” – werd het een grote hit in de uitvoering door het zangeressenduo ‘De Selvera’s’. Cleber leidde toen inmiddels vijf jaar (samen met Gerard van Krevelen) het AVRO-orkest De Zaaiers, dat niet minder dan 14 jaar heeft bestaan. Het bestond uit ca. 25 musici en was Iange tijd één van de populairste amusementsorkesten.
50 jaar geleden werd het orkest opgeheven; en 100 jaar geleden (op 2 juni 1916) werd Jozef Cleber geboren.
Jos_Cleber
Als kind kreeg Jos muziekles van zijn vader, die organist en koordirigent was van de Sint-Servaeskerk in Maastricht. Na de middelbare school studeerde hij viool en piano aan het Muzieklyceum in die stad en saxofoon, klarinet en trombone aan het conservatorium van Luik. Na een engagement bij het orkest van Paul Godwin was Cleber van 1936 tot 1939 werkzaam bij het Tonhalle Orchester Zürich. De oorlogsdreiging deed hem in 1939 terugkeren naar Nederland. Hij kwam als trombonist en violist terecht bij het orkest van het Tuschinski-theater, dat onder leiding stond van Max Tak. Via Tak, tevens medewerker van de AVRO, kwam Cleber in mei 1940 als trombonist bij het AVRO-Amusementsorkest onder leiding van Elzard Kuhlman. Dit gezelschap zou een jaar later worden opgeheven en opgaan in het Groot Amusementsorkest van de door de Duitse bezetter gelijkgeschakelde Nederlandsche Omroep.

CONCERTGEBOUWORKEST
Na een periode bij het AVRO-Dansorkest kreeg Cleber in 1942 een aanstelling als trombonist bij het Concertgebouworkest. Daarvoor moest hij zich aanmelden als lid van de Kultuurkamer. Tijdens de bezettingsjaren studeerde hij ook nog directie, harmonie en contrapunt bij de componist Kees van Baaren in Amsterdam. Een ontmoeting met orkestleider Theo Uden Masman leidde ertoe dat Cleber in mei 1945 als trombonist bij diens dansorkest The Ramblers kwam. Echter niet voor lang, want inmiddels had hij van dirigent Dolf van der Linden het verzoek gekregen als trombonist en arrangeur mee te werken aan een nieuw te vormen radio-orkest, het Metropole Orkest. Vanaf de oprichting in november 1945 tot mei 1948 zou Cleber aan dit orkest verbonden blijven. ln diezelfde periode leidde hij ook een eigen twaalfkoppig ensemble, Selecta. Daarnaast speelde hij trombone in enkele door Dolf van der Linden geleide studioformaties, zoals het Decca Swing Combo.
NAAR INDIE
ln juni 1948 vertrok hij naar Nederlands-lndië. Daar stelde hij op verzoek van Radio Batavia een groot amusementsorkest samen, het Cosmopolitain Orkest, bestaande uit veertig musici van verschillende nationaliteiten. Hij zou er tot 1951 blijven. Na de soevereiniteitsoverdracht, eind december 1949, kreeg Cleber van de Nederlandse regering opdracht het lndonesische volkslied ‘lndonesia Raya’ te orkestreren voor symfonieorkest. De orkestratie was een geschenk van Nederland aan de jonge republiek lndonesië.

TERUG BIJ DE AVRO
Toen hij in 1951 terugkeerde uit lndonesië trad Cleber in dienst bij de AVRO, waar hij – samen met Gerard van Krevelen – het AVRO-Theaterorkest dirigeerde. Daarnaast kreeg hij van directeur Willem Vogt de opdracht een nieuw allround amusementsorkest samen te stellen. Eind april 1952 werd het nieuwe orkest, De Zaaiers – genoemd naar het grote wandplastiek boven de ingang van de AVRO-studio – aan de luisteraars voorgesteld. Een jaar later werd ook hier een Cosmopolitain Orkest opgericht, bestaande uit De Zaaiers, aangevuld met extra strijkers. ln de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig was hij ook een van de vaste dirigenten van platenmaatschappij Phonogram. Hij maakte onder meer opnamen met Mieke Telkamp, Corry Brokken, Conny Stuart, Willy Alberti en Jules de Corte. Verder trad hij o.a. op met Yma Sumac, Lys Assia, Vera Lynn, Rosemary Clooney en Judy Garland.

AFRIKAANS UITSTAPJE
ln het voorjaar van 1962 vertrok Cleber naar Zuid-Afrika. Voor de Suid Afrikaanse Uitsaal Korporasie in Johannesburg zou hij een nieuw orkest formeren. Hij kon echter niet vol- doende musici vinden en keerde in 1964 terug naar Nederland. ln februari 1964 was hij weer bij de AVRO in Hilversum. Hij nam er opnieuw de leiding op zich van De Zaaiers en het Cosmopolitain Orkest. Pogingen om deze orkesten aan te passen aan de veranderende muzikale smaak, onder andere door uitbreiding van de ritmesectie, strandden vanwege geldgebrek. ln 1966 besloot de AVRO vanwege de steeds toenemende personeelskosten beide orkesten op te heffen. ln de zomer van dat jaar kreeg Jos Cleber een aanstelling als muziekadviseur bij de AVRO-televisie. ln deze functie was hij onder meer vanaf 1968 tot aan zijn pensionering in 1981 de producer van Jonge mensen op (weg naar) het concertpodium. Voor dit door Joop Stokkermans geregisseerde programma rekruteerde Cleber veelbelovende studenten van Nederlandse en buitenlandse conservatoria, die vervolgens de gelegenheid kregen hun muzikale talenten voor de televisie te presenteren. Hij arrangeerde veel muziek in verschillende genres voor het programma. Ook had Cleber de muzikale leiding bij het jaarlijkse Grand Gala du Disque.

VEELZIJDIG
ln de loop der jaren heeft Cleber veel gecomponeerd, o.a. muziek bij speelfilms, documentaires en radio- en televisiespelen. Hij orkestreerde de musical die Toon Hermans in 1952 schreef en die in 1953 door de AVRO-radio is uitgezonden. Cleber maakte in de loop der jaren ook honderden arrangementen, niet alleen voor zijn eigen orkesten, maar tevens voor het Metropole Orkest en het Promenade Orkest. Een groot deel hiervan bevindt zich in de collectie van de (in 2013 gesloten) Muziekbibliotheek van de Omroep.

ln 1981 ging Cleber met pensioen. Daarmee kwam ook een einde aan zijn muzikale carrière. Hij kreeg nu volop tijd om zich te wijden aan zijn grote hobby, het schilderen, totdat dit begin jaren ’90 door een blijvende motorische storing als gevolg van een licht herseninfarct onmogelijk werd. Na een kort ziekbed kwam op 21 mei 1999 plotseling een einde aan het leven van een man die bijna een halve eeuw lang actief was geweest in de meest uiteenlopende muzikale genres.

Jan Jaap Kassies

 Bron: artikel Rob van Putten

* Jos Cleber in de OmroepmuziekWiki (incl. werkenoverzicht in de omroepmuziekcollectie)

Op 2 juni 2016 zond RTi Hilversum deze Jos Cleber-aflevering van Co Snels radioprogramma Studio Hilversum uit.

OUD EN NIEUW, VAN ALLES WAT: 100 JAAR …TOM ERICH

Zondag 22 mei staat Co Snel in zijn programma ‘Studio Hilversum’ – op RTi Hilversum radio – stil bij de 105e geboortedag van Tom Erich. Dat feit vormt een goede aanleiding om onderstaand artikel van Charlotte Sienema opnieuw te publiceren, dat bij de 100e verjaardag van deze AVRO-coryfee op de MCOMB-website verscheen.

Tom Erich zegt: “De stiptheid van mijn Remova is telkens weer een verrassing voor me. Terwijl u dinsdagsavonds mijn herkenningsmelodie hoort, kijk ik op mijn Remova en zie: ’t is weer zo ver, precies kwart over zes!”. Dan zwelt de melodie en Tom begint zijn vlindervlugge spel. Zijn Remova danst mee op de cadans van de muziek, ‘t is shockproof en verdraagt dus de meest temperamentvolle aanslag. Onze toetsenvirtuoos kan het weten: Remova kan de zwaarste toets doorstaan!

Temperamentvol en vlindervlug. Zo wordt in een reclameadvertentie van horlogemerk Remova in de jaren ’50 de speelstijl van pianist Tom Erich omschreven. Tom Erich was in de jaren ’50 en ’60 een begrip. Iedere dinsdagavond om kwart over zes zond de AVRO-radio zijn programma Oud en nieuw, van alles wat uit. Een kwartiertje pianomuziek, ruim 20 jaar lang.

Tom Erich werd op 26 mei 1911 geboren in een gezin met 10 kinderen in de Amsterdamse Kinkerstraat. Zijn vader was eigenaar van 5 rijwielzaken en één van die zaken was voor Tom bestemd. Op zijn vijftiende verdiende hij echter al de kost in de muziek. Hij begon als pianist in café De Munttoren en kwam vervolgens bij het Apollotheater in Amsterdam terecht, als begeleider van stomme films. Daarnaast speelde hij in bars en restaurants. Zijn talent werd ontdekt door de groten van de Nederlandse kleinkunst en hij werd de begeleider van onder meer Louis Davids en Lou Bandy.

Tom Erich, Johnny Meyer, Wim Kastelein (?) en Lex Vervuurt (leden van AVRO-leans,  rond 1950)

Tom Erich, Johnny Meyer, Wim Kastelein (?) en Lex Vervuurt (leden van ensemble AVRO-leans, rond 1950)


In 1946 trad Erich in dienst van de AVRO. Hij zou hier tot zijn pensioen in 1976 blijven. Hij leidde tal van populaire ensembles als de Avroleans, Harmonetto, De Papavers, Melodie en Ritme en Tom’s Prairie Pioneers. Drie namen ontbraken daarbij nooit: die van zangeres Annie de Reuver, gitarist/zanger Eddy Christiani en accordeonist Johnny Meyer. Met Johnny Meyer, Wim Sanders (gitaar) en Ger Daalhuisen (bas) gaf hij tientallen langspeelplaten uit onder de titel Five o’clock tea. Op de Bonte Dinsdagavonden van de AVRO trad ditzelfde ensemble op als Koffiekamer Kwartet.

In de jaren ’70 waren de hoogtijdagen van de radio-ensembles voorbij. Op de radio werden steeds meer grammofoonplaten gedraaid. Oud en nieuw, van alles wat werd stopgezet. In een interview in het Algemeen Dagblad zei Erich hierover: “Nou, ik vind dat een beetje moeilijk. Kijk, gaandeweg werd er meer gepraat op de radio. Er kwam meer geklets. Voor het nieuws, tijdens het nieuws en achter het nieuws. En heel geleidelijk aan kwam ik er niet meer aan te pas. Ik voelde het aankomen. Ze zeiden wel dat de belangstelling terugliep, maar toen eenmaal de beslissing was gevallen dat ik zou ophouden met mijn programma, toen was de klap wel groot, natuurlijk”.

De jaren tot zijn pensionering was Erich medewerker van de afdeling lichte muziek bij de AVRO. Hij produceerde onder meer Muzikaal onthaal en De Arbeidsvitaminen.

Tom Erich stierf op 23 augustus 1978 na een auto-ongeluk. Hij werd 67 jaar.

Naast pianist/orkestleider is Erich ook bekend geworden als componist/arrangeur. Hij schreef honderden liedjes, veelal op teksten van Stan Haag en Anton Beuving. Heel bekend werd Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen (tekst: Nick Holwerda) in de uitvoering van Annie de Reuver en Karel van der Velden met het orkest The Skymasters o.l.v. Bep Rowold. Andere bekende liedjes zijn: Kleine Greetje uit de polder, ‘s Avonds als het kampvuur brandt en Vanavond om kwart over zes ben ik vrij. Dit laatste liedje bereikte in de uitvoering van Willeke Alberti zelfs de hitparade.
Bronnen:
• twee interviews met Tom Erich uit 1976 (waarvan één uit het AD van 2 juli 1976).
Uitgaven van Tom Erichs composities in de omroepmuziekcollectie

Beluister ook Co Snels Erich-hommage t.g.v. diens 105e geboortedag.

100 JAAR WILLY SCHOBBEN

Willy Schobben bij het Hilversumse Raadhuis in 1962

Willy Schobben bij het Hilversumse Raadhuis in 1962

Vandaag (5 september 2015) vieren we de 100e geboortedag van de Limburgse trompettist en orkestleider Willy Schobben (Maastricht, 5 september 1915 – Kerkrade, 25 maart 2009).
Ter gelegenheid van dit feit stelde radiomaker Co Snel een portret samen als aflevering van zijn programma ‘Studio Hilversum’ voor de lokale zender RTi Hilversum. De uitzending is hier terug te luisteren. Lees ook Willy Schobben-biografie in de Muziekencyclopedie.

In deze uitzending van een uur passeren de volgende stukken de revue (van nrs. 5 en 11 is de bladmuziek op deze site te downloaden):
1. Happy José, Norman Malkin/Jesse Gonzales. Orkest Willy Schobben (1962).
2. Carnaval de Venice, Julius Benedict. Idem (1967).
3. Tschiou, tschiou, André Hornez/Nicanor Molinare. Annie de Reuver met AVRO’s Dansorkest The Skymasters o.l.v. Pi Scheffer (inclusief Willy Schobben, trompet) (1946).
4. Trumpet tango, Willy Schobben. Malando en zijn tango-orkest (1961).
5. Do you remember? (Weet je nog? uit de film Jenny), Jos Cleber. Ballroom Orkest Willy Schobben (1969).
6. Willy praat even/Mexico, Boudleaux Bryant. Orkest Willy Schobben (1961).
7. Napoli, Willy Schobben. Orkest Willy Schobben (1961).
8. Mallorca, Willy Schobben. Orkest Willy Schobben (1962).
9. Benfica, Willy Schobben. Orkest Willy Schobben (1962).
10. Ballad of the trumpet, John Pisano. Idem (1962)/stukje origineel: La ballata della tromba door trompettist Nini Rosso.
11. Heisser Sand, (Brandend zand), Werner Scharfenberger. Orkest Willy Schobben (1962).
12. O passo do Kanguru, Haraldo Lobo/Milton de Oliveira. Idem (1963).
13. Eenzame stad, Willy Schobben/Karel van der Velden. Karel van der Velden met orkest Willy Schobben (1968).
14. Lapland, Mats Olsson. Orkest Willy Schobben (1965).
15. Viva la papa col pomodore, Nino Rota. Idem (1965).
16. Olé Cruyff, Willy Schobben. Idem (1975). Gedeeltelijk.
17. Shalom Aleichum, traditional/arrangement Willy Schobben. Idem.

HONDERD JAAR GELEDEN GEBOREN: DOLF VAN DER LINDEN – 35 JAAR VOOR HET METROPOLE ORKEST

Het is een zeldzaamheid: een dirigent die 35 jaar lang chef van éénzelfde orkest is.
Dolf van der Linden richtte het Metropole Orkest in 1945 op, kort na de Tweede Wereldoorlog dus, en bleef tot 1980 op zijn post. In deze periode componeerde en arrangeerde hij vele honderden stukken, in zeer uiteenlopende genres. De sinds twee jaar ontoegankelijke kelder van het MCO-gebouw aan Hilversumse Heuvellaan bevat zo’n 5 kilometer bladmuziek, waarin de collectie van het Metropole Orkest een flink aantal kasten vult. Wanneer men die mappen opent treft men Dolf van der Lindens naam het vaakst aan. Decennialang schreef hij muziek voor zijn orkest (en andere ensembles), uiteenlopend van het hoorspel Metropolichinel (1946) op tekst van de grote (VARA-hoorspelregisseur) S. de Vries jr., via een arrangement van een aria uit Cilea’s opera Adriana Lecouvreur (1980) tot muziek voor de Toon Hermans-film Monsieur Moutarde van Sonansee en uiteraard talloze composities en arrangementen op het terrein van de amusementsmuziek en de jazz voor het Metropole Orkest. Een kleine selectie van zijn muzikale nalatenschap is op onze website te vinden.

Doordat zijn activiteiten zich uitstrekten over een zeer breed terrein kreeg hij zelden ‘gedocumenteerde erkenning’ voor zijn gehele oeuvre. Ook het feit dat veel van zijn werk niet is gepubliceerd maar handschrift is gebleven, heeft het verkrijgen van een overzicht voor ‘niet-ingewijden’ bemoeilijkt. Daar komt nog bij dat hij  veel muziek schreef voor film en tv, genres die zich meestal onttrekken aan de standaard-werkenlijsten. In naslagwerken werden vaak dezelfde ‘feitjes’ herhaald over zijn opleiding, zijn betekenis voor het Eurovisie Songfestival etc.
Daarom is het goed dat Bas Tukker de beschikbare informatie over leven en werk van Dolf van der Linden heeft verzameld en op basis daarvan een biografie heeft geschreven. Tukker was al zeer goed op de hoogte van Van der Lindens activiteiten in Songfestival-verband, door zijn research voor de website ‘And the conductor is…‘,  die veel gegevens bevat over dirigenten die ooit actief waren bij het Eurovisie Songfestival.
Een curieus document uit 1958 dat onlangs opdook biedt een fraai inkijkje in de wereld van het muziekauteursrecht. De aangeschrevene besluit zijn (concept)antwoord als volgt:

‘Ik heb het nu weer opgelost en hoop in de toekomst een beter overzicht te verkrijgen wat er zo met mijn werkjes gebeurt’.

Dolf_van_der_Linden_BUMA_samen Het orkest organiseert vandaag,  op de 100ste geboortedag van zijn oprichter, een bijzonder evenement in het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum. Onderdeel ervan  is de presentatie van het boek ‘Dolf van der Linden: de vader van het Metropole Orkest‘, geschreven door Bas Tukker op initiatief van de Stichting Vrienden van het Metropole Orkest. Daarbij zal het orkest onder leiding van Jan Stulen een selectie van muziek spelen uit het rijke muziekarchief dat onder het 35-jarig bewind van Van der Linden werd opgebouwd.

De naam van de grote omroepmusicus zal ook voortleven in de nieuwe woonwijk die aan de oostzijde van Hilversum verrijst. Naast o.a. (zijn opvolger) Rogier van Otterloo, Pi Scheffer en Jos Cleber wordt daar ook een straat vernoemd naar de vandaag honderd jaar geleden geboren Dolf van der Linden.

Jan Jaap Kassies

LINK:
Werken van Dolf van der Linden in de Omroepmuziekcollectie

Op 12 juli zond Co Snel op RTi Hilversum een Dolf van der Linden-special uit t.g.v. diens 100e geboortedag. Hieronder kunt u die radiouitzending terugluisteren.