Categorie archief: Omroepmusici

PAUL GODWIN, DE LAATSTE STEHGEIGER

Tijden veranderen snel, oude waarden maken plaats voor nieuwe trends. Zo is het leven, maar terugkijken loont. Op 9 december 1982, nu 35 jaar geleden, overleed een coryfee, de violist Paul Godwin. Zijn leven verliep over pieken en dalen, met muziek als rode draad.

Vluchteling
In de voetsporen van Fritz Kreisler, Mischa Elman en Willi Boskovsky, heeft Paul Godwin als Stehgeiger de ‘Kaffeehausmusik’ verheven tot kunst. Het was een lange weg. Geboren werd hij als Pinchas Goldfein op 28 maart 1902 in Sosnowiec, destijds Russisch grondgebied en nu weer Pools. Zijn joodse ouders hadden een klein hotel, waar muzikanten ’s avonds dans- en volksmuziek speelden. De kleine Pinchas luisterde aandachtig, kreeg op zijn 4e verjaardag een viooltje en mocht al gauw meespelen. Les kreeg hij in Warschau en van 1912 tot 1918 van  Hermann Kaplan in Wenen. Als tegenprestatie moest hij voor hem boodschappen doen, eten koken en matten kloppen. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog week hij uit naar Boedapest, waar Jenö Hubay zijn leraar werd. De kost verdiende Pinchas nu als schnabbelaar in café’s en bioscopen. Het antisemitische regime van admiraal Horthy beviel hem niet, na twee jaar zocht hij zijn toevlucht in Berlijn.

Succes
Ondanks de slechte economische omstandigheden in de 20-er jaren, trof Pinchas op het gebied van kunst en amusement een bruisende stad aan. De Musikhochschule liet hem toe als leerling van Willy Hess, maar stuurde hem weer weg, omdat hij het schnabbelcircuit verkoos boven de verplichte bijvakken. In feite was Pinchas al rijp voor een volgende stap. Onder de artiestennaam Paul Godwin leidde hij vanaf 1922 zijn eerste eigen salonorkest, het werden er spoedig vijf. Per taxi pendelde de nieuwe ster door de stad. Bekende solisten stonden in de rij om begeleid te worden door ‘Godwin mit seinem Künstler-Ensemble’, met zijn dansorkest ‘Paul Godwin’s Jazz Symphonians’ trad hij op in danslokalen, revuetheaters en voor Berlijnse radiozenders. Europese bekendheid verwierf Godwin in 1925 door het contract met Polydor. Het maakte hem schatrijk. Meer dan 9 miljoen platen werden van hem verkocht. Ook werkte hij mee aan veel UFA-films. Maar in 1933 keerde het tij. De Nazi’s namen de macht over, Godwins huis en vermogen werden geconfisqueerd. Hij kon nog net met vijf collega’s een visum bemachtigen en uitwijken naar Luxemburg voor een doorstart. Als stateloze, met 8 Reichsmark op zak en een (vermeende) Stradivarius onder zijn arm, verliet de eens zo gevierde musicus Duitsland. De Jood Godwin was ‘unerwünscht’.

paul_godwin_femina_berlin

Stateloos
In de rest van Europa was zijn reputatie onaangetast. Paul Godwin, als Stehgeiger en bandleider een absolute publiekstrekker, werd in Hilversum meteen uitgenodigd als solist bij het AVRO-Omroeporkest o.l.v. Nico Treep. Voor zijn nieuw samengesteld ensemble kon hij in veel Europese landen met uitgangscentra langlopende contracten afsluiten. Zijn optredens in Den Haag, Scheveningen, Amsterdam, Rotterdam, Heerlen en Valkenburg in bekende luxe etablissementen, werden vaak uitgezonden door de AVRO en KRO. Hieraan maakte de inval van het Duitse leger in mei 1940 abrupt een eind. Joden werd het werken in het openbaar verboden. Pauls huwelijk met een niet-joodse vrouw behoedde hem voor deportatie, maar als dwangarbeider moest hij graven en spitten bij Schiphol. Na de bevrijding richtte Godwin zich vooreerst met bekende musici op klassiek repertoire, hij speelde altviool in het Nederlands Strijkkwartet en viool in het Stradiva Sextet, het Meester Trio en Alma Musica. Toen Paul Godwin in 1951 het bericht ontving, dat hij tot Nederlander was genaturaliseerd, luidde zijn ontroerde reactie: ”Nu ben ik opgehouden een nummer te zijn, ik ben weer mens”.

 Perfectie
De VARA bood hem in 1952 een vast contract aan. Salonmuziek was in. Het programma Gold und Silber met het Promenade Orkest o.l.v. Benedict Silberman en Paul Godwin als solist, bleek meteen een gouden greep. Als aanvulling mocht Godwin uit geselecteerde groepjes omroepmusici eigen ensembles formeren. Zijn werkwijze leek zo eenvoudig: ’s avonds een uurtje repeteren en dan opnemen. Wekelijks toverde hij vanuit de kille studio weemoedige en vrolijke klanken tot sfeervolle miniatuurlandschapjes uit culturen, die hem als mens en musicus hadden gevormd. Wie herinnert zich niet zijn uitzendingen? De begintune deed een stapje terug voor het warme stemgeluid van zijn vaste omroeper Coen Serré: ”Kom binnen mensen en ga er maar weer eens lekker voor zitten. Het komende half uur gaan we rustig bladeren in het prachtige muziekalbum van Paul Godwin”. Naadloos sloot de tekst aan bij de slotmaten van de tune. Toeval? Nee, niets in Pauls uitzendingen berustte op toeval, ‘Routine’ bestond voor hem niet. Wanneer een eenvoudig nummer onverwachts problematisch verliep, reageerde hij fel: “Scheisse, nochmal!”, ook al betrof het de tune: ”Nochmal!”. Met minder dan 100 procent nam de perfectionist geen genoegen, dat gold ook voor hemzelf. Een door een regisseur simpelweg als ‘goed’ aanvaarde opname, keurde hij weer af:“Gut, das reicht mir nicht, nochmal!”. Desondanks hadden Godwins musici veel respect voor hem. In het Walsorkest mocht ik hem nog twee jaar meemaken, ik beschouwde dat als betaalde leermomenten. Zijn omgang met onze taal verliep minder perfect. Tussen zijn Oost-Europees getinte Duits mompelde hij Nederlandse woorden, voorzien van een zwaar accent. Dit bracht VARA-voorzitter Jan Broeksz tot de uitspraak:“Paul Godwin is te muzikaal om de Nederlandse taal te leren spreken.”

Veelzijdig
Twee namen mogen in dit artikel niet ontbreken: Henk Knol, de altviolist uit het Radio Kamer Orkest, die voor Godwins ensembles vrijwel alle arrangementen schreef en Isja Rossiçan, die naast vriend en muziekregisseur, ook zijn pianist was in vele programma’s waarin vele ‘pareltjes uit de oude doos’ klonken. Het strijkje verloor allengs zijn glans, uit het uitgangsleven was het al weggesaneerd. Bekende Stehgeiger als Bertus van Dinteren en Tata Mirando kregen geen opvolgers en nadat Paul Godwin in 1975 gestopt was, verdween het genre ‘salonmuziek’ ook uit de aether. Met alle respect voor André Rieu, maar in zijn vrolijke shows ontbreekt de gevoelige snaar. Een bekend oud Jiddisch lied luidt: “Vos geven iz geven, un nito”, vertaald is dit: Wat geweest is, komt niet meer terug.

Adriaan van ‘t Wout

Dit artikel oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in Kwartaalblad Aether (nr. 126) en met vriendelijke toestemming van de auteur en de Aether-redactie geplaatst.

Composities en repertoire van Paul Godwin in de SOM-collectie

100 JAAR: JO BUDIE (1917-1991)

Jo Budie werd geboren op 13 november (of 14 november) 1917 in Kerkrade. Hij kreeg op zijn tiende jaar zijn eerste pianolessen. In 1933 deed hij examen aan het conservatorium van Luik. Naast piano speelde Budie klarinet, saxofoon, trombone, marimba, vibrafoon, bas en accordeon. Het laatstgenoemde instrument zou hij meest gaan hanteren. In zijn jeugd speelde hij op kermissen en in cafés. In 1942 werkte Jo Budie voor de Nederlands(ch)e Omroep. Zes jaar later kwam hij in vaste dienst van de KRO.

2017_11_13_Jo_Budie_portret

ROOSKLEURIG
Het Orkest Zonder Naam van orkestleider Ger de Roos bestond toen twee jaar. Budie nam de plaats in van Jan Pieters als accordeonist. Het Orkest had een grote rij successen, die op zoals bijvoorbeeld Het ding, Lied van de IJssel, Wie zal dat betalen?, Als in Holland de sneeuwklokjes bloeien, Oh, Heideroosje en Naar de speeltuin (met Heleentje van Cappelle); zangpartijen werden waargenomen door de Marketentsters en de Musketiers. Ger de Roos stapte in 1954 door onenigheid op bij de KRO. Hij ging volop werken bij zijn moeder, die een grammofoonplatenzaak in Hilversum runde.
De Roos verbood de KRO de naam Orkest Zonder Naam nog te hanteren. Men ging verder als De zingende en spelende Troubadours. De leider werd niet genoemd, maar het was wel degelijk Jo Budie. Uit het Orkest Zonder Naam kwamen mee: Benny de Gooyer (sax/klarinet), Johnny Ombach (viool), Fred Roozendaal (xylofoon/marimba), Piet Baan (gitaar), Henk Orthman (bas) en Gerard van Bezey (drums). Een nieuw element was een Wurlitzer-orgel bespeeld door Eddy de Jong. Oud-Marketentsters Jenny Roda en Yvonne Oostveen traden toe tot de zingende Troubadours  (oud-Marketentsters) net als Dick Doorn, een ex-Musketier. Nieuwkomers waren de Vlaming Marcel Thielemans en Koos Huisman. Het gezelschap, dat van oktober 1954 tot mei 1956 bestond had kleine successen, die op plaat verschenen, zoals Jim, Johnny en Jonas, Ik hou van de Schotten, Cuculino, Het schipperskind en Het carillon van de toren. Fred Roozendaal speelde net als bij het Orkest Zonder Naam zijn xylofoonsoli in Circus Renz, The galloping comedians en Petersburger Schlittenfahrt.
Oudejaarsavond 31 december 1954 debuteerden De Selvera’s voor de KRO-radio en werden begeleid door de spelende Troubadours. In die combinatie verschenen er in 1955 een 78-toerenschijf met Hoe zachtjes glijdt ons bootje (Melody of love)/Hollands meisje (Hollandmädel).

BOERTJES VAN BUUTEN
Door het vertrek van Ger de Roos moesten ook De Bietenbouwers hun naam veranderen. Ger was leider Boer Biet. Het orkest ging vanaf oktober 1954 onder leiding van Jo Budie door als De Boertjes van Buuten. Het ensemble zou tot 1973 bestaan. Kees Schilperoort kondigde ze net als bij De Bietenbouwers met een zogenaamd Veluws accent aan als Gait-Jan Kruutmoes. Zangsolisten waren Bertus Bolknak (Henk van Wijk), Lubbert van Gortel (Henk Jansen van Galen) en – na diens overlijden in 1970 – opgevolgd door Ab Hofstee als Boer Voorthuizen. Daarnaast Geert van de Tröter op zijn schoeftrompet. Hilarisch was zijn Kakelwals. Het was in werkelijkheid Marcel Thielemans op trombone, die hij ook bespeelde naast zingen bij The Ramblers van de VARA. Annie de Reuver was een blauwe maandag boerin Drika. Zij werd in 1967 opgevolgd door Annie Palmen. De Boertjes van Buuten kwamen ook vanaf 1966 op TV in het programma MIK. Er werd vaak gedacht dat het een willekeurige boerenkapel was, maar in werkelijkheid waren het beroepsmusici, onder wie trompettisten Harry Sevenstern, die ook klassieke werken blies bij het Radio Philharmonisch Orkest en De Wiener Symphoniker en Bert Grijsen, trompettist bij The Ramblers. Het gezelschap had successen als Lieve Frans, Bie mien op de boerderieë, Wij maken alles op vandaag, Wij willen vrolijk zijn, de Posthoorn galop en de Ambeeld polka.
Eén liedje dwarrelde ook naar de AVRO. Karel van der Velden zong bij The Skymasters o.l.v. Bep Rowold Hij doet het niet met muziek van Jo Budie en tekst van René Berg, schuilnaam van KRO-producer Ton Kool. Ger de Roos bracht wat teweeg met zijn vertrek, want hij had ook De Van Zessen Klaar Club geleid. Hierin kreeg nieuw talent een kans. De nieuwe naam werd De Springplank. Jo Budie begeleidde met zijn ensemble de debutanten en zat in de jury.

Springplank-jury_Wijnnobel_Budie_Kool_1962
OELEWAPPERS
Naast de overname van het Orkest Zonder Naam en De Bietenbouwers leidde Jo Budie in 1954 voor korte tijd het ensemble Extase met zang van Het Serpentine Sextet. Op het repertoire bijvoorbeeld Jolie Jacqueline, Tikke-tikke-tak (van Lex Vervuurt en Stan Haag), Moonlight and roses en Hernando’s hideaway.
Vanaf 1956 leidde Jo Budie De Klavirtuozen met zang van Annie Palmen en Jan van der Most. Op plaat verschenen ‘t Regent dat het giet (Just walkin’ in the rain) gekoppeld aan Samen (True love), De dokter heeft gezegd en Visser van de Zuiderzee, een liedje van Jo Budie (muziek) en Beb Hueting (tekst).
Annie Palmen en Jan van der Most maakten in 1958 een plaat met een ander KRO-ensemble Frivoletta o.l.v. Johnny Ombach, waarin Budie ook accordeon speelde. Op deze schijf een liedje van Budie en Beb Hueting: Voor ons zal ‘t altijd lente zijn met op de andere kant Speel nog eenmaal voor mij, Habanero, een cover van het Caterina Valente-succes Spiel noch einmal für mich, Habanero.
Op de grammofoonplaat speelde Jo Budie met Jo Bos en Piet Zonneveld als het Scala Trio tussen 1959 en 1965 vele potpourri’s. De musici van De Klavirtuozen speelden ook in het non-stop potpourri-programma Simple music; Jo Budie (accordeon), Eddy de Jong (hammondorgel/piano/celesta), Fred Roozendaal (xylofoon/marimba), Piet Baan of zijn broer Cor, soms Frits Hes (gitaar), Henk Orthman of Leo van Laeré (bas) en Gerard van Bezey of Frans Beekmans (drums).
In 1960 ontstond het Kwartet Jo Budie met zang van Annie Palmen en Koos Huisman. Er verschenen duetjes als Toe huil niet meer en Die dumme Liebe, maar ook soloplaatjes Der Peter en Salute cin cin (Palmen) en Goud in Alaska en Neem de tijd (Huisman). Koos Huisman zong ook de liedjes in het cabareteske programma De Oelewappers met teksten van Jan de Cler in de jaren 1961/1963. Liedjes als Janus is gepakt (persiflage op Janus pak me nog een keer, de hit van Paula Dennis), Opoe kom van die trapeze en Christine Kiele Kiele, naar aanleiding van het schandaal rond callgirl/model Christine Keeler en de Britse minister van Defensie John Profumo. Het begeleidend orkestje stond onder leiding van Jo Budie. Een dergelijke combinatie ondersteunde het dameskoor Aethercharme en mannenkoor De Woudzangers, gedirigeerd door Marinus van ‘t Woud in het programma Wij zingen de wereld rond (jaren 1963/1965). Budie was envoudig inzetbaar. Hij speelde ook regelmatig bij de formaties van Johnny Ombach: het Cascade Orkest en het Musette Orkest en bij het Ballroom-orkest van Klaas van Beeck.

KRO-HUISORKEST
De klad kwam in het ensemble- en orkestenbestand van de omroepen in Hilversum. Het een na het andere werd in de tweede helft van de jaren ‘60 opgeheven. Jo Budie leidde nog even het ensemble Mascotte.
Maar er was gelukkig nog werk voor hem. De bonte avonden van de omroepen met vocalisten, groot orkest, cabaret en conferences voor publiek in de zaal, werden door de komst van TV nog nauwelijks beluisterd. KRO-producer Gerard Hulshof kwam op het idee om een dergelijk programma overdag te programmeren. Dat werd vanaf oktober 1967 Van Twaalf tot twee met presentatoren als Ted de Braak, Felix Huizinga en Hans van Willigenburg. Blikvanger werd Kees Schilperoort met het spel Raden maar! Allerlei artiesten traden op en het KRO-Huisorkest o.l.v. Jo Budie nam de klassieke werken op de hak met toeters, bellen en andere vreemde geluiden, via arrangementen van Jo van Maas, Bill Stanford, Walter Kalischnig en leider Jo Budie. Naast de ‘boertjes’ Marcel Thielemans en Benny de Gooyer speelden o.a. hoboïst Sam Zilverberg, trompettist Gerard Engelsma en trombonist Bart van Lier in het orkest.

2017_11_13_Jo_Budie_dirigent_portret

29 juni 1973 was het afgelopen voor Jo Budie, hij ging met pensioen. Het KRO-Huisorkest ging nog enkele jaren verder onder leiding van Piet Zonneveld en speelde in de stijl van James Last.
Jo Budie overleed op 8 september 1991 op 73-jarige leeftijd. Zoons Jos en Henny werden (TV)regisseur.

Tekst: Co Snel

Bronnen: OmroepmuziekWiki en eigen geheugen.

Bekijk ook Co Snels klinkende hommage aan Jo Budie

Composities en arrangementen van Jo Budie in de omroepmuziekcollectie (incl. muziekschatten)

100 JAAR: EDDY DE JONG, KLAVIRTUOOS

Een totaal vergeten musicus, die in de jaren ’40, ’50 en ’60 vaak op de radio was te horen. Zijn hammondorgelspel had een specifieke klank. Eddy de Jong speelde net even anders, frisser dan Cor Steyn, Johan Jong of Guus Jansen.
Eddy_de_Jong_portret
Hij werd geboren op 9 oktober 1917, waarschijnlijk in Rotterdam. In zijn jeugd kreeg hij basislessen voor piano en ontwikkelde zich daarna door zelfstudie. Op die manier kreeg hij kennis van theorie en praktijk van de muziek. Hij leerde accordeon, vibrafoon, marimba en pauken bespelen. Rond 1935 werd hij beroepsmusicus en speelde vooral piano. Daarnaast kreeg De Jong orgelles. Dat kwam mooi uit, want toen het in 1934 uitgevonden hammondorgel in Nederland werd geïntroduceerd was de jongeling gelijk verkocht. Die liefde deelde hij met Cor Steyn, Johan Jong en Pierre Palla. In 1938 maakte De Jong deel uit van het AVRO-Dansorkest o.l.v. Klaas van Beeck. Een wonderbaarlijk en onwaarschijnlijk gegeven. In de Tweede Wereldoorlog bespeelde hij het hammondorgel in een door een verzetsman georganiseerde revue, die de bezetter subtiel om de tuin leidde.

NA DE OORLOG
Na de bevrijding vernamen we voor het eerst iets van De Jong als pianist/vibrafonist bij het VARA-ensemble Vincentino, in 1947 gestart o.l.v. violist Frans Poptie. Hier hanteerde Eddy Christiani de gitaar. Op plaat verschenen van Vincentino So it is/Ideas in minor, opgenomen op 22 april 1947 in Hilversum en It had to be you/Sweet Sue, just you op 13 juli 1949, eveneens in Hilversum. Christiani zong even bij Accordeola vanaf 1948 via de VARA o.l.v. Frans Wouters. Eddy de Jong, die bij Accordeola piano en hammondorgel speelde, componeerde het lied Met verlof en schreef voor zijn naamgenoot Eddy You are my chocolaadje. Max van Praag kwam er bij als zanger. Twee vocalisten in hetzelfde Nederlandstalige genre was teveel. Eddy Christiani vertrok naar Harmonetto van Tom Erich bij de AVRO. Na Frans Wouters was accordeonist Jan Gorissen leider van Accordeola. De Jong componeerde voor Max het lied Dat briefje in 1951. In 1952 speelde Accordeola de fox-polka Anita van de hand van De Jong. Intussen had hij als vibrafonist voor platenmaatschappij Decca opnamen gemaakt met accordeonist Johnny Meyer. Op 15 april 1949 werden in Hilversum Indian love call en Honeysuckle rose vastgelegd. De Jong was heel even pianist van het XYZ Trio van gitarist Jan Mol. In 1951 verving pianist Ger van Leeuwen hem.

AnitaEddy de Jongs arrangement voor Accordeola

Anita
Eddy de Jongs arrangement voor Accordeola

KRO-MUSICUS
Eddy de Jong werd een van de vaste KRO-musici. Zo speelde hij begin jaren ’50 accordeon, piano en hammondorgel bij het in 1946 door Ger de Roos opgerichte Orkest Zonder Naam en de ensembles die daaruit voortkwamen, zoals De Zingende en Spelende Troubadours o.l.v. Jo Budie (eind 1954-1956). Budie nam toen zelf de accordeonpartijen voor zijn rekening, terwijl De Jong er Wurlitzer-orgel speelde. Daarna speelde De Jong weer hammondorgel bij De Joffers en De Jonkers, waarvan Jack Bulterman de muzikale motor was. Daarnaast ontstonden in 1956 De Klavirtuozen o.l.v. Jo Budie met zang van Annie Palmen en Jan van der Most, in 1959 opgevolgd door John de Mol. De musici van De Klavirtuozen speelden voor de KRO ook een 20 minuten durende medley onder de titel Simple music. Dat waren: Jo Budie, accordeon; Fred Roozendaal, xylofoon en marimba; Eddy de Jong, hammondorgel, piano en celesta; Piet Baan of Frits Hes, gitaar; Henk Orthmann of Leo van Laeré, bas en Gerard van Bezey of Martin Beekmans, drums. Tussen 1957 en 1960 verschenen LP’s en EP’s van dit gezelschap met alle mogelijke evergreens zoals bijvoorbeeld Ain’t she sweet, Always en Es war einmal ein Musikus en hits als My truly truly fair, Tipitipitipso en Ramona. Het Kwartet Eddy de Jong was in 1961 te horen bij de KRO met gastsolisten als Annie Palmen en Herman Emmink. Eddy speelde ook in de begeleidingsensembles van Jo Budie bij het talentenprogramma De Springplank, de koren Aethercharme en De Woudzangers o.l.v. Marinus van ’t Woud en de komische serie De Oelewappers van Jan de Cler tussen 1961 en 1963.

MODERN BALLROOM
Voor de grammofoonplaat begeleidde Eddy de Jong op hammondorgel het meisje Loesje in 1956 op twee 78 toerenschijven: Liedjes als Pappie ga je met ons naar de papegaaien/Ik zal wel weer de flinkste zijn en Ga eens naar m’n mammie toe/Als pappie naast me in de schoolbank zat. Op de single van Joop van de Marel uit 1957: Waar is m’n hoed, waar is mijn jas/Folies Bergére is De Jong ook van de partij. Hij speelde met een ritmegroep Ballroommedleys in 1956, 1957 en 1958 voor Telefunken (CNR). Een LP vol zogenoemde Duitse evergreens zoals Für eine Nacht voller Seligkeit/Die ganze Welt ist Himmels blau en het titellied Bei dir war es immer so schön, werd ook goed ontvangen bij onze Oosterburen. In 1958 maakte Eddy heel even deel uit van het Sextet van klarinettist Willy Langestraat. Hij speelde op 3 juli in Hilversum vibrafoon in Flying home en A Penguin’s wedding day en op 17 juli 1958 bij Too marvellous for words en There will never be another you. In 1958 werkte hij als zogenoemde Hammondwerktuigkundige mee in het cabareteske NCRV-programma Happy Landings met onder meer Teddy en Henk Scholten, Mela Soesman, Piet Ekel en Rijk de Gooijer.

Intussen wilde De Jong die strict tempo ballroomdansmuziek iets anders aanpakken dan de zoete klanken van Victor Silvester of Jan Corduwener en formeerde in 1957 het Modern Ballroom Sextet. Voor de internationale markt noemde hij zich toen Eddy Young. De hammondorganist omringde zich met Sem Nijveen (viool), Harry Mooten (accordeon), Wim Sanders (gitaar), Henk Orthman (bas) en Gerard van Bezey (drums). Het repertoire bestond vooral uit quicksteps en foxtrots, als Moonlight and roses en Make believe, maar ook de tango Plegaria en de samba In Spain they say ‘Si, si’. Populair werd de in 1959 verschenen EP met My fair Lady medleys, opnieuw uitgebracht in 1962 en 1965. Onder het motto Dance and stay Young verschenen er in 1962 nog eens twee EP’s (45-toeren platen met gewoonlijk vier nummers) maar in dit geval meer omdat het medleys waren met bijvoorbeeld Marina, Broadway melody en Bye bye blackbird. Die bezetting van het Modern Ballroom Sextet is ook te horen achter John de Mol bij ‘n Beetje. De Mol bracht dat lied op tijdens de finale van het Nationale Songfestival in 1959. In die jaren werd één lied door twee verschillende solisten gezongen. Teddy Scholten won die finale, maar ook de Internationale Finale of het Eurovisiesongfestival. Op de B-kant zong John de Mol Luna napolitana. Zonder Sem Nijveen maar met Harry Mooten nam De Jong in de herfst van 1959 in Hilversum voor platenmaatschappij Artone vier composities van Cole Porter op onder het motto Swingin’ the can can.

BEGELEIDER
Eind 1956 begeleidde een klein orkest o.l.v. Eddy de Jong Een paar apart, het komische duo Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooijer op hun eerste plaat Wij zijn twee eenzame cowboys/Ik ben zo blij.
De Jong en zijn formaties namen ook met De Selvera’s op. In 1957 verscheen Als de kaarsjes branden, een compositie van De Jong met een tekst van Emile Lopez (op de B-kant Kerstmis in Holland). Verder Omaatje en Wiegeliedje in 1958, Sleighride in Alaska/Moeder, jouw zilveren haren in 1959, Tingelingeling (Mariano)/Dag en nacht in 1960 en twee singles in 1963: Cinderella uit Hawaii/Elke dag zonder jou en De Speeldoos. Inderdaad hun versie van Annie Palmens Songfestivalbijdrage. Op de B-kant van die Selvera-single vinden we een liedje van Eddy de Jong en Henk van der Molen, getiteld Dans met mij.
De Friese zanger Bauke van der Wal maakte ook een plaat met De Jong en zijn musici met de liedjes Neeltsje en Foar dy Allinne. In 1961 verscheen een reclameplaatje van De Zilvervloot. Shirley Zwerus zong op de A-kant Spaar me en Joop van de Marel en het Leedy Trio op de B-kant: Wat zou je doen?. In het begeleidend orkest van Ger van Leeuwen speelt De Jong vibrafoon. En zo zal hij nog wel meer verborgen zitten in diverse orkesten bij plaatopnames.

Artone-producer Lion J. Swaab werkte graag met De Jong. Paula Dennis kreeg in 1962 De Jongs muzikale ondersteuning met onder meer blazers in Janus, pak me nog een keer/Je moet geven en nemen. Het zangtrio The Spotlights mocht op hem en zijn musici rekenen bij de singles Rain, rain go away/Sweet violets in 1962 en Just let me cry/The three caballeros in 1963. Op het plaatje dat behoorde bij de reclameshow ‘We zien ze vliegen’ in 1963, is De Jong ook duidelijk aanwezig met zijn hammondorgel. Daarop zingt een gezelschap met Conny Stuart, Cees de Lange, Clown Frans Rexis, The Fouryo’s en De Wama’s ook een compositie van hem, namelijk Lichtjes om ons heen, dat Annie Palmen – als Kijk, daar is de zon heette (tekst: Emile Lopez) – had gezongen op de finale van het Nationale Songfestival in 1963. Zij zong ook van De Jongs hand het lied Amour in 1961 bij De Klavirtuozen. Wat het Songfestival betreft; de naam van Eddy de Jong komen we ook tegen bij de Nationale Finale in 1958. Willy Alberti werd 9e met Met elke lach van jou. In 1962 werd Pat Berry (Piet van den Berg) 6e met Wees zuinig op de wereld van componist Eddy de Jong en tekstdichter Han Dunk.

Wees zuinig op de wereld

Wees zuinig op de wereld

Eddy de Jong werkte mee aan het tijdelijke KRO-programma ‘Beentjes van de vloer’ van producer Ton Kool en omroeper Fons Disch in het seizoen 1961/1962 en was in die periode ook vaste gast in het zaterdagavondprogramma ‘Tierelantijnen’.
Bij de NCRV had hij in het seizoen 1962/1963 eens in de drie weken een uitzending van een half uur met bassist Ger Daalhuisen en drummer Gerard van Bezey. Hierin ontvingen zij vocalisten als Annie Palmen, Truus Koopmans, Ria Verda, Willeke Alberti, Bert Visser, Cock van der Palm, De Selvera’s en The Fouryo’s en instrumentalisten als fluitist Arie Jongman, xylofoonspeler Fred Roozendaal, vibrafonist Rob Meyn, altsaxofonist Bep Rowold en tenorsaxofonist Cees Beekman. De Jong speelde in dit programma ook de eigen composities, die ook bij onder meer De Klavirtuozen op de lessenaar hadden gelegen: Emotie en de Artiestenmars.

MULTI-ORGEL EN DOCENT
In 1963 deed De Jong ook mee aan de rage om andere elektronische geluiden uit een orgel te halen, zoals Cor Steyn dat met zijn ‘magic organ’ deed. Hij had een multi-orgel en maakte wederom als Eddy Young een single met Three o’clock in the morning en Aan de Amsterdamse grachten en een EP onder de titel Bossa nova met beproefde hammondcomposities als Cavaquinho, Tico tico, Delicado en Amorada. De Jong arrangeerde liedjes uit de film De Jantjes door Beppie Nooy’s Volkstoneel die op LP verschenen. Hij is als hammondorganist ook te horen op de LP’s en singles die na 1963 van The Kilima Hawaiians verschenen. Het multi-orgel klonk in 1964 alsof Ken Griffin het bespeelde. Er verschenen twee singles in die stijl: Bierwals en Het briefje, het liedje dat De Jong in 1951 voor Max van Praag componeerde en twee walsen van Joop Portengen: Kristal-wals en Robina wals. Bij Special Dutch Music verscheen in 1964 een EP van Eddy Young op piano met een orkest o.l.v. Peter Clipps (oftewel Jan Vuik). Vier composities: Il dolce concerto, Velvet hour, Dutch mills en Sentimental souvenir. In 1965 maakte hij met zijn Quintet een grote medley voor In the cocktailbar, met daarin evergreens als A fine romance, Two sleepy people en Love is here to stay. Deze LP kreeg een vervolg.

Eddy_de_Jong_Amsterdamse_Grachten_hoes

De Jong musiceerde ook in onder meer België, Frankrijk en Oostenrijk. Componeerde studiemateriaal voor piano, orgel en accordeon. Rond 1972 verscheen Allround (BASF  10 25190-6), een toepasselijke  titel want De Jong speelt er orgel, piano, accordeon, vibrafoon, marimba en celesta op. Naast hits uit de late jaren ’60, begin ’70 zoals Mame, This guy’s in love with you en Popcorn, voert De Jong een eigen compositie  genaamd Okay uit.
Toen Piet Daalhuisen, producer bij TROS-radio, in 1977 het VARA-ensemble Accordeola liet herleven in 1977, was Eddy de Jong ook weer van de partij als pianist naast zangers Eddy Christiani en Bert Visser.
Eddy de Jong overleed op 12 november 1990 in Zaandijk, 73 jaar oud.

Tekst: Co Snel

Bronnen: Wikipedia, radiogidsen, platenhoezen en eigen geheugen.

Bekijk ook Co Snels klinkende hommage aan Eddy de Jong

Composities en arrangementen van Eddy de Jong in de omroepmuziekcollectie (incl. muziekschatten)

100 JAAR: TED POWDER

Zijn artiestennaam is inmiddels net zo weggezakt uit het collectieve geheugen als zijn werkelijke naam, terwijl hij jarenlang een van de actiefste en veelzijdigste figuren was in de Nederlandse lichte muziek-wereld: Theo (‘Theek’) Kruijt alias Ted Powder, multi-instrumentalist, componist, arrangeur, orkestleider, tekstschrijver, muziekuitgever en platenproducent.
Ted_Powder
Informatie over Ted Powder is niet eenvoudig te achterhalen. De twee hieronder genoemde boeken vermelden enkele gegevens die ik hier tot een geheel heb proberen te smeden.
Ted Powder, op 10 juni 1917 geboren in Velsen, studeerde contrabas, piano en trombone, resp. bij David Schild, mevrouw Impman en De Lon, solfège en harmonieleer bij mevrouw Impman en zang bij Bep Ogterop.
Hij was lid van de Haarlemse Orkestvereniging en maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog als trombonist deel uit van de Rhythm Sellers (met zijn broer Pim (bas)) en het dansorkest van Cor van Lier (de vader van de trombonisten Bart en Erik van Lier). Ook speelde Powder in diverse theater- en radio-ensembles. Hij reisde tussen 1946 en 1962 als entertainer en leider van combo’s (o.a. The Bamboozlers) door veel landen in en buiten Europa, met o.a. Rita Reys, Toon van Vliet, Harry Verbeke en Cees Smal. Zo trad hij op in Amerikaanse militaire clubs in West-Duitsland, waarbij in 1956/57 werd opgetreden met als zangeres Ann Burton.
Op YouTube zijn twee 78-toerenplaatopnamen te vinden die in 1945/46 zijn gemaakt van Ted Powder en Rita Reys: Street of dreams en This can’t be love

Powder was thuis in uiteenlopende muziekstijlen: pop, soul, ballads, reggae en jazz. Hij schreef o.a. voor Les Baroques, Cockie Kay, John Russell, The Shepherds en de Selvera’s.
In 1964 won zangeres Anneke Grönloh het Nationaal Songfestival met het lied Jij bent mijn leven, geschreven door Ted Powder en René de Vos, voor de gelegenheid gearrangeerd door Bert Paige. (Ze kreeg tijdens het Eurovisiesongfestival slechts twee punten. Wel ontving ze de persprijs en publieksprijs.)

vlnr: Ted Powder (componist), Anneke Grönloh (zangeres) en René de Vos (tekstdichter)

vlnr: Ted Powder (componist), Anneke Grönloh (zangeres) en René de Vos (tekstdichter)

Powders bekendste compositie is Zallemenut (nog ‘n keertje overdoen) die hij – samen met Pieter Goemans – schreef voor Adèle Bloemendaal. De carnavalskraker bereikte in 1974 de 12e positie in de nationale top 40. Andere liedjes die hij samen met Goemans schreef zijn Niets (gezongen op het Songfestival in 1962 door Gert Timmerman) en Kerstmis in Amsterdam. Verder schreef hij liedteksten en vertaalde hij veel Duitse, Franse en (vooral) Engelse nummers in het Nederlands (o.a. The house of the Rising Sun en If I had a hammer).

Dat Powder ook bekendheid genoot in jazzkringen blijkt o.a. uit het artikel over hem in het standaardwerk over Nederlandse jazzmuziek (zie bibliografie). Hierin worden enkele opmerkelijke wapenfeiten vermeld, bv. dat hij van 1969 tot 1976 muziekuitgever en producer op Jamaica was en de Jamaica Songwriters Guild en de Caribbean Copyright Organization oprichtte. In 1972 dirigeerde hij het winnende liedje op het Yamaha Festival in Tokio, en een jaar later was hij jurylid bij festivals in Puerto Rico en Curacao (waar hij ook gastdirigent was).

Ted Powder overleed op 28 juni 1998 op 81-jarige leeftijd.

Jan Jaap Kassies

Bronnen:
• H. Mildenberg – De Nederlandse lichte muziek van A-Z
• Jazz & geïmproviseerde muziek in Nederland (eindred. Wim van Eyle)
Jaarboek 1998 van de Vereniging Haerlem

100 JAAR: JOOP ELDERS

Johan Hendrik Willem (Joop) Elders  werd op 8 april 1917 geboren in Nijmegen.
Elders genoot zijn muziekopleiding aan de conservatoria van Aken en Luik met als hoofdvakken viool, piano en fluit. Daarna studeerde hij enkele jaren harmonie en compositie bij Henri Hermans in Maastricht.

Joop_Elders_in_de_omroepmuziekwiki
Zijn muzikale loopbaan begon als fluitist bij het Arnhems Orkest. Na twee jaar stapte hij over naar het orkest van John van Brück, waarmee hij door Europa toerde.
Tijdens de mobilisatie had hij de leiding over het uit 80 man bestaande orkest van  het bataljon Jagers in Loosduinen. Na de demobilisatie kwam Elders terecht bij de Amsterdamse bioscoop Cinema Royal. Vanaf 1941 speelde hij vier jaar lang in het Groot Amusementsorkest van Elzard Kuhlman.

Joop Elders was fluitist van het eerste uur bij het  in 1945 opgerichte Metropole Orkest. Hij speelde in het orkest tot aan zijn dood in 1974. Evenals o.a.  Dolf van der Linden  en  Jos Cleber  bleek hij in staat om te arrangeren voor een groot bezetting. Decennialang was hij een van de voornaamste arrangeurs van het Metropole Orkest. In navolging van Jos Cleber legde hij zich met name toe op het schrijven van bewerkingen van operettefragmenten en licht-symfonische muziek, al deinsde hij ook niet terug voor het onversneden amusementswerk. Elders schreef ook arrangementen voor  Malando.
In de loop der jaren leidde Elders een aantal radio-ensembles, waaronder Selecta en de  Whistling Pipers  (NCRV).

In de omroepmuziekcollectie bevinden zich meer dan 1200 arrangementen van zijn hand. Hij componeerde ook een aantal orkestwerken, waaronder  Suerte da capa en Primavera.
Joop_Elders_Primavera
De ‘bescheiden fluitist-arrangeur’ (Tukker) Joop Elders overleed onverwachts in Hilversum op 5 juni 1974.


Fluitist Joop Elders als een van de solisten in Taboo

Jan Jaap Kassies

Bronnen:
• Algemene Muziek Encyclopedie (De Haan, Haarlem)
• Interview in het Limburgs Dagblad (3 september 1963) (op Delpher)
• Bas Tukker: Dolf van der Linden, de vader van het Metropole Orkest (2015)
Joop Elders in de OmroepmuziekWiki

ROGIER VAN OTTERLOO (11 december 1941-29 januari 1988)

Dit artikel is een voorpublicatie uit Kwartaalblad Aether (afl. 122)

Vandaag zou componist-arrangeur-orkestleider Rogier van Otterloo 75 jaar zijn geworden. Dat hij slechts 46 jaar oud is geworden is niet af te lezen aan het aantal titels van composities, arrangementen en opnamen waarvoor hij verantwoordelijk was. Bij veel muziekliefhebbers werd hij vooral bekend door zijn filmmuziek voor o.a. Turks Fruit en Soldaat van Oranje.
Van Otterloo leidde echter ook veel opnamen met het Metropole Orkest, waarvan hij vanaf 1980 chef-dirigent was (als opvolger van Dolf van der Linden, die het orkest in 1945 had opgericht).
Hij begon – als zoon van dirigent (en componist) Willem van Otterloo – al op jeugdige leeftijd met muziek: toen hij vier jaar oud was leerde zijn vader hem hoe hij samen met zijn één jaar oudere zusje tweestemmig moest zingen. Drie jaar later had hij vioolles en zat het zusje elke dag achter de piano.

Vervolgens nam hij enige tijd drumles en vanaf zijn zestiende jaar speelde hij piano. Korte tijd later vormde hij het Gold Coast Combo, samen met o.a. slagwerker-zanger Edwin Rutten en bassist René Holdert. Van Otterloo schreef de arrangementen. Na het gymnasium ging hij naar het Amsterdams Muzieklyceum, waar hij fluit, muziektheorie en piano studeerde.
In 1964/1965 schreef hij zijn eerste arrangementen voor het Metropole Orkest. Ook had hij lange tijd een radioprogramma op zaterdagmiddag waaraan vermoedelijk werd meegewerkt door zijn Gold Coast Combo-kompanen Edwin Rutten en René Holdert, en wisselende blazers, zoals Harry Verbeke, Ferdinand Povel, Cees Smal en Piet Noordijk.

copyright www.rogiervanotterloo.nl

copyright www.rogiervanotterloo.nl


Uit diezelfde periode stamt een viertal ‘muziekboekjes’ waarin de aankomende arrangeur Rogier van Otterloo schetsen heeft genoteerd voor arrangementen voor een ensemble met een bijzondere samenstelling: fluit, trompet, hobo/althobo, hoorn, basklarinet, bas, gitaar en slagwerk. Het betreft Along came Betty van Benny Golson (bekend in de uitvoering door Art Blakey and the Jazz Messengers), It’s wonderful (Mitchell Parish), Angel eyes (Matt Dennis) en Les grands musiciens (Michel Legrand). De drie laatstgenoemde nummers stonden op het repertoire van Edwin Rutten.
De boekjes zijn enkele jaren geleden ontdekt in de collectie van de (in 2013 gesloten) Muziekbibliotheek van de Omroep, en zijn indertijd ingeschreven onder de noemer ‘Orkest Rogier van Otterloo’.
Frits van Yperen heeft onlangs drie titels gedigitaliseerd met behulp van het muzieknotatieprogramma Finale, d.w.z. hij heeft de ‘handgeschreven noten’ omgezet in ‘computerleesbare noten’. Als afgeleide genereerde hij ‘luisterpartijen’ die hij aan de oorspronkelijke bladmuziek heeft gekoppeld via het Virtuele Studio-gedeelte van de website. Hiermee kan men een indruk krijgen van de klank van de betreffende arrangementen. Niet alles ‘klinkt’ even goed, maar bv. Along came Betty bevat enkele typische Van Otterloo-passages.

De gemeente Hilversum heeft besloten de straten in de nieuwbouwwijk Anna’s Hoeve te vernoemen naar componisten en musici die een belangrijke rol bij de publieke omroep (radio en tv) hebben vervuld. Rogier van Otterloo is een van hen. De naamgeving getuigt van historisch besef: de Rogier van Otterloostraat ligt in het verlengde van de Dolf van der Lindenstraat.

Jan Jaap Kassies
(met dank aan Bas van Otterloo)

Bronnen:
• John van Markwijk – Rogier van Otterloo, arrangeur, componist, orkestleider (2011, heruitgave 2016)
www.rogiervanotterloo.nl
Rogier is weer springlevend (interview met Co Berkenbosch, De Telegraaf, 11 juni 1983)

Links:
* Werken van Rogier van Otterloo op deze website
* Werken van Rogier van Otterloo in de omroepmuziekcollectie

PIERRE WIJNNOBEL, BEDRIJVIG LAVEREND TUSSEN SWING EN COVER

Pierre Jean Carel Wijnnobel werd op 5 augustus 1916 in Leiden geboren. Zijn ouders hadden een manufacturenwinkel aan de Breestraat in de Sleutelstad. Van pa en ma moest Pierre economie gaan studeren. Dat was goed voor de toekomst. In die jaren gehoorzaamden kinderen hun ouders, dus Pierre zat al snel met zijn neus in de boeken. In zijn vrije tijd wilde hij de zinnen verzetten met muziek maken. Hij mocht privéles nemen voor piano en harmonieleer. Op 16-jarige leeftijd speelde hij contrabas in het Leidse jazzcombo The Crackerjacks. In 1938 en 1939 hanteerde Wijnnobel de trombone en de bas bij The Bright Sparks. Daarna kwam hij terecht bij The Moochers, eerst onder leiding van Tony Helweg – die we na de oorlog als tenorsaxofonist en klarinettist bij De Ramblers tegen zouden komen – daarna onder leiding van de later zo beroemd geworden pianist/trombonist/bandleider Boy Edgar. In 1940 wonnen The Moochers een prestigieus concours in Brussel. Op 26 november 1940 voltooide Wijnnobel zijn studie economie (nota bene op de dag dat prof. Cleveringa in Leiden protesteerde tegen het ontslag van Joodse hoogleraren). The Moochers noemden zich in de oorlog De Klaplopers, omdat de bezetter geen Amerikaanse namen en swing duldde. Wijnnobel ging echter verder met The Swing Papa’s, in de oorlog Slingervaders genoemd, voorloper van op 5 mei 1945 opgerichte Dutch Swing College Band. Hij kreeg in de oorlog een oproep voor militaire dienst, maar daar gaf hij geen gehoor aan. Wijnnobel ging met tenorsaxofonist Willy Verra, ook lid van The Swing Papa’s, bij Klaas van Beeck in Leiden wonen. Van Beeck was vóór de oorlog leider van het AVRO-Dansorkest en had in de oorlog een eigen dansorkest. Op een gegeven moment werd het te gevaarlijk op het onderduikadres. Wijnnobel reed met een auto van het Rode Kruis mee naar Brussel en daarna door naar Parijs. Daar ontmoette hij gitarist Django Reinhardt en ging musiceren in de band van Hongaar Paul von Béky, onder meer in de concentratiekampen Natzweiler (nabij Straatsburg) en Stutthof in Polen.

Paul van Béky engageert Pierre Wijnnobel

Paul van Béky engageert Pierre Wijnnobel

Pierre Wijnnobel, als 20'er

Pierre Wijnnobel, als 20′er

BIJ DE RAMBLERS
Na de oorlog ging Wijnnobel terug naar Brussel en speelde hij enige tijd in Dancing Corso met Jean Baptiste Thielemans. Hij had nog niet de bijnaam Toots en speelde nog geen mondharmonica, maar gitaar. Wijnnobel had enige tijd een eigen band in Brussel, waar ook De Ramblers optraden. Leider Theo Uden Masman vroeg of hij tweede trombonist bij zijn band wilde worden. Daar had Wijnnobel wel oren naar. Hij arrangeerde en componeerde bijvoorbeeld Lucky number en Ramblers Boogie Woogie in 1948 en Abebelebop in 1950. Omdat Jack Bulterman De Ramblers had verlaten om in België te gaan werken, wilde Wijnnobel ook Nederlandstalige liedjes voor de Ramblers schrijven. Het bleef bij Die avond in mei (1950), gezongen door Marcel Thielemans, want kort daarop verliet hij noodgedwongen De Ramblers. Omdat de optredens terugliepen en de gages minder werden, ging Theo Uden Masman door met een kleinere bezetting. Wijnnobel had er alle begrip voor. Ook omdat hij diep in zijn hart wist dat hij het als trombonist moest afleggen tegen Marcel Thielemans. Maar wat nu? Hij wilde wel een vaste baan en solliciteerde daarom bij de KLM en NS. Maar hij koos uiteindelijk toch voor de muziekbusiness; niet als trombonist, pianist of bassist, maar als componist/tekstschrijver en arrangeur.

KOM D’R IN EN OVER DE BRUG
Wijnnobel ging bij platenmaatschappij Phonogram werken. Schreef in 1952 Dat heb je al meer gedaan voor Karel van der Velden begeleid door AVRO’s Dansorkest The Skymasters o.l.v. Bep Rowold en had een hit te pakken met Kom d’r in, de Nederlandse versie van het Fontane Sisters-succes: Let me in, gezongen door The Swinging Nightingales onder de hoede van Gerard van Krevelen. Op deze site staat veel bladmuziek van arrangementen, die Wijnnobel in 1953 en 1954 schreef voor het Metropole Orkest en solisten die optraden in het VARA zaterdagavondprogramma Showboat van producer Karel Prior. Dat waren vooral liedjes van anderen. In 1954 vertaalde Wijnnobel de song Cross over the bridge, een succes van Patti Page in Amerika en The Beverly Sisters in Engeland. Het werd gewoon Kom over de brug voor Helma en Selma. Make love to me, de hit van Jo Stafford veranderde in Leen me nog een kusje, gebracht door Annie Plevier en Karel van der Velden met The Skymasters. Van der Velden soleerde in een lied waarvoor Wijnnobel tekst en muziek had geschreven: Welbedankt voor het gezellige avondje.

SPRINGPLANK
In 1954 verliet Ger de Roos de KRO. Het Orkest Zonder Naam werd De zingende en spelende Troubadours. De Bietenbouwers (De Roos was Boer Biet) veranderden in de Boertjes van Buuten en de Van Zessen Klaar Club, waarin nieuw talent een kans kreeg, werd De Springplank. Wijnnobel coachte met orkestleider Jo Budie en producer Ton Kool jonge zangers, zangeressen, groepjes en instrumentalisten. Ze gingen ook het land in op zoek naar talent. Wijnnobel begeleidde ze aan de piano. Het duo Black & White – Black = Jan Klumperman uit Rotterdam en White = Eugen Gaiser uit Delft – had nog net gedebuteerd in de Van Zessen Klaar Club in 1954 met Daar bij de waterkant en The little shoemaker. Wijnnobel heeft de 25 platen (78- en 45-toeren) die het duo maakte tussen 1954 en 1963 geproduceerd, van teksten en begeleiding voorzien. Liedjes als Wij met z’n twee (Tango for two) en Ay, ay Olga (muziek Pierre Wijnnobel/tekst: Kees Schilperoort), Tom Hark, Una marcia in fa en Oh, die Elisabeth (die zo lekker koffie zet). Op diverse platen werd Black & White gekoppeld aan The Melody Sisters, de tweeling Julie en Elly Lankester uit Amsterdam. Bijvoorbeeld in het Engels Sh-Boom en Hearts of stone in 1954 en The naughty lady of Shady Lane en Mister Sandman in 1955. Wijnnobel vertaalde Boom boom boomerang, het succes van The De Castro Sisters en Hummingbird (Kijk uit voor de mannen) origineel door Les Paul & Mary Ford of Frankie Laine in 1955. Daarnaast arrangeerde hij Carina (o.a. van Arturo Testa) en Itsy bitsy teenie weenie Honolulu strandbikini in 1960 (in Amerika door Bryan Hyland als Itsy bitsy teenie weenie yellow polkadot bikini) en in Duitsland door o.a. de Club Honolulu (inclusief Caterina Valente) of The Blue Diamonds in het Duits. Daarnaast oorspronkelijk werk van Pierre, dus tekst en muziek van Vivace (1959) en Luxemburg rag (1960).

Wijnnobel zorgde tussen 1956 en 1962 ook voor het repertoire op de 12 singles van The Butterflies, de broers Godert en Luc van Colmjon uit Amersfoort. Dit betrof vaak bewerkingen van dixielandnummers: Muskrat ramble werd (Wij zijn stapelgek op) Dixieland, When the Saints go marchin’ in veranderde in Oom Ben was eens een machinist en Doctor Jazz kreeg een Nederlandse tekst. Daarnaast ook licht teenagerwerk als Willem wordt wakker (Wake up little Susie van The Everly Brothers) in 1958, Ding Dong, de hit van The McGuire Sisters in 1959 en Van je 1,2,3 (High Society) in 1960. Eigen werken van Wijnnobel voor de Amersfoortse keien met de vlinderdasjes waren Bobby heeft een hobby (dat is een klarinet) in 1958, Baby Doll in 1959, Mary in 1960 en Hapskidi bidi in 1961.

IN DE BUS VAN BUSSUM NAAR NAARDEN
The Butterflies waren gestart in 1956. Dat was een vruchtbaar jaar voor Pierre Wijnnobel. Hij schreef voor De Windmolens o.l.v. Johnny Holshuysen met Truus Koopmans en Dick Doorn: Mijn Marleentje (die zo lekker koken kan) en voor Annie de Reuver Hij speelt zo mooi accordeon. The Skymasters namen twee composities van Wijnnobel op: Royal palace blues en Moonliner. Maria Dieke kwam over uit Zweden en maakte een plaat met The Skymasters. Ze kreeg een hit met de vertaling van Way way down in way-way-te-nango van Dave Coleman. Dat werd In de bus van Bussum naar Naarden, ook gebracht door Helma en Selma. Annie Palmen en Jan van der Most zongen de Nederlandse versie van Just walkin’ in the rain, het succes van Johnnie Ray. Met De Klavirtuozen o.l.v. Jo Budie (KRO) trapten ze samen in een plas in het lied ‘t Regent dat het giet. Ook een geheide hit in 1956 was Klappermelk met suiker door The Amboina Serenaders o.l.v. Rudi Wairata met zang van Joyce Aubrey en Ming Luhulia. In 1957 veranderde Come pretty little girl van Vendla Shepard in Kom lieve kleine meid door Max en Marga van Praag of Teddy en Henk Scholten met Leila, de dochter van Rita Reys. In 1957 ook het debuut van het damestrio The Spotlights met ’t Was in december, een oorspronkelijk nummer van Wijnnobel. Tijdens audities voor De Springplank had hij Greetje Kauffeld ontdekt. Hoewel hij veel voor de KRO werkte, verloor hij Greetje aan de AVRO. Ze ging zingen bij The Skymasters van Bep Rowold.

De platenmaatschappijen wisten in de late jaren ‘50 nog niet zo goed raad met het repertoire voor teenagers. The Butterflies waren zo nu en dan in dixieland en de jongste Butterfly Godert van Colmjon zong met de jonge Shirley Zwerus in 1958 zijn Mambo Olé. Nu niet bepaald een dans voor tieners. Maar in 1959 slaagde Wijnnobel er toch in om leuke teksten te schrijven voor The Fouryo’s uit Amsterdam. Tell him no van Travis en Bob, Come softly to me van The Fleetwoods, Makin’ love van en door Floyd Robinson en Seven little girls van Paul Evans and The Curls in Amerika of The Avons in Engeland, werden achtereenvolgens Zeg niet nee, Kom bij me darling, Makin’ love (verder Nederlands) en Zeven leuke meisjes.

RAG EN BACH
In de platenstudio begeleidde Pierre Wijnnobel naast Jack Bulterman en Bert Paige diverse artiesten. Conny van den Bos, toen nog niet aan elkaar geschreven, ook een van zijn ontdekkingen, zong met zijn orkest in 1961 Ninotchka (Midnight in Moscow) en in datzelfde jaar Herman van Keeken met een cover van het Ray Peterson succes Corinne, Corinna. Dat begeleidingswerk heeft hij niet doorgezet. Wijnnobel hield zich vooral op in de KRO-studio. Hij arrangeerde en componeerde nummers als Sweet swing low, een bounce voor het KRO-Dansorkest o.l.v. Klaas van Beeck, zijn oude makker uit de oorlog. De koren Aethercharme en De Woudzangers o.l.v. Marinus van ’t Woud hadden bewerkingen van Wijnnobel op de lessenaars voor het KRO-programma Wij zingen de wereld rond. Het NCRV-ensemble Saxophonia o.l.v. Cees Verschoor nam zijn compositie Sax-appeal op het repertoire. In 1953 uitgevoerd door het Metropole Orkest.

Wijnnobel bleef gek op de ragtime, die al lang uit de mode was. Zo componeerde de ragtimes Carneval, Hamburg, Paris en French Rag. Enkele werden in 1964 op de plaat gezet door Ivan’s Oldtimers.

In 1964 vertaalde Wijnnobel de musicalsong Hello Dolly, het succes van o.a. Louis Armstrong en Hey! look me over (Hé, ouwe jongen) uit de musical Wild Cat voor acteur Johan Kaart. In 1965 bewerkte hij A windmill in old Amstedam van Ronnie Hilton. Dat werd Een muis in een molen in mooi Amsterdam door Rudi Carrell en De Damrakkertjes. A world of our own van The Seekers werd als Liever thuis met z’n twee door The Sunbeams gebracht. Begin 1965 scoorde Ronnie Tober met Iedere avond, een tekst van Wijnnobel op Twilight time van o.a. The Platters in 1958. In 1966 enkele vertalingen voor de LP De Ronnie Tober Show. Bijvoorbeeld De wereld is wel tienmaal mooier (Rags to riches door Tony Bennett in 1953), Ik kan je niet vertellen (I can’t begin to tell you door Bing Crosby in 1946) en The first night of the full moon in 1964 door Jack Jones. Dat werd Marijke uit Krabbendijke.

Dat was wel zo’n beetje het laatste wat we vernamen van de maestro. Wijnnobel leidde een eigen orkest, dat niet op de radio te horen was en hij verdiepte zich in ingewikkelde arrangementen van Bach. In 1967 speelden The Skymasters zijn compositie Minirock. De belangrijkste bezigheid was het runnen van een Bed en Breakfast Hotel in de Amsterdamse Vossiusstraat. Dat deed hij tot op hoge leeftijd met zijn Luxemburgse vrouw Jeanne (Joan) Kutter. Wijnnobel overleed op 9 januari 2010 op 93-jarige leeftijd. Hij zei vaak: “Ik ben blij dat ik nergens aangenomen ben, anders had ik nooit zo’n spannend leven gehad”.

pierre_wijnnobel

Tekst: Co Snel

Bronnen: De Leidse Jazzgeschiedenis 1899-2009 door Cees Mentink, Peter de Waard in De Volkskrant, Omroepmuziekwiki en eigen geheugen.

* Pierre Wijnnobel in de OmroepmuziekWiki (incl. werkenoverzicht in de omroepmuziekcollectie)

Op 31 juli 2016 zond RTi Hilversum deze Pierre Wijnnobel-aflevering van Co Snels radioprogramma Studio Hilversum uit.

100 JAAR JOS CLEBER

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in kwartaalblad Aether, nummer 120.

Jos Cleber, uit te spreken als Jos Clébèr. Trombonist, componist, arrangeur, orkestleider, producer. Zijn bekendste compositie schreef hij in 1957: De postkoets, oorspronkelijk als herkenningsmelodie voor het radioprogramma Met de postkoets door Nederland Met een tekst van Ferry van Delden – “Ver over berg en dal klonk er het hoorngeschal” – werd het een grote hit in de uitvoering door het zangeressenduo ‘De Selvera’s’. Cleber leidde toen inmiddels vijf jaar (samen met Gerard van Krevelen) het AVRO-orkest De Zaaiers, dat niet minder dan 14 jaar heeft bestaan. Het bestond uit ca. 25 musici en was Iange tijd één van de populairste amusementsorkesten.
50 jaar geleden werd het orkest opgeheven; en 100 jaar geleden (op 2 juni 1916) werd Jozef Cleber geboren.
Jos_Cleber
Als kind kreeg Jos muziekles van zijn vader, die organist en koordirigent was van de Sint-Servaeskerk in Maastricht. Na de middelbare school studeerde hij viool en piano aan het Muzieklyceum in die stad en saxofoon, klarinet en trombone aan het conservatorium van Luik. Na een engagement bij het orkest van Paul Godwin was Cleber van 1936 tot 1939 werkzaam bij het Tonhalle Orchester Zürich. De oorlogsdreiging deed hem in 1939 terugkeren naar Nederland. Hij kwam als trombonist en violist terecht bij het orkest van het Tuschinski-theater, dat onder leiding stond van Max Tak. Via Tak, tevens medewerker van de AVRO, kwam Cleber in mei 1940 als trombonist bij het AVRO-Amusementsorkest onder leiding van Elzard Kuhlman. Dit gezelschap zou een jaar later worden opgeheven en opgaan in het Groot Amusementsorkest van de door de Duitse bezetter gelijkgeschakelde Nederlandsche Omroep.

CONCERTGEBOUWORKEST
Na een periode bij het AVRO-Dansorkest kreeg Cleber in 1942 een aanstelling als trombonist bij het Concertgebouworkest. Daarvoor moest hij zich aanmelden als lid van de Kultuurkamer. Tijdens de bezettingsjaren studeerde hij ook nog directie, harmonie en contrapunt bij de componist Kees van Baaren in Amsterdam. Een ontmoeting met orkestleider Theo Uden Masman leidde ertoe dat Cleber in mei 1945 als trombonist bij diens dansorkest The Ramblers kwam. Echter niet voor lang, want inmiddels had hij van dirigent Dolf van der Linden het verzoek gekregen als trombonist en arrangeur mee te werken aan een nieuw te vormen radio-orkest, het Metropole Orkest. Vanaf de oprichting in november 1945 tot mei 1948 zou Cleber aan dit orkest verbonden blijven. ln diezelfde periode leidde hij ook een eigen twaalfkoppig ensemble, Selecta. Daarnaast speelde hij trombone in enkele door Dolf van der Linden geleide studioformaties, zoals het Decca Swing Combo.
NAAR INDIE
ln juni 1948 vertrok hij naar Nederlands-lndië. Daar stelde hij op verzoek van Radio Batavia een groot amusementsorkest samen, het Cosmopolitain Orkest, bestaande uit veertig musici van verschillende nationaliteiten. Hij zou er tot 1951 blijven. Na de soevereiniteitsoverdracht, eind december 1949, kreeg Cleber van de Nederlandse regering opdracht het lndonesische volkslied ‘lndonesia Raya’ te orkestreren voor symfonieorkest. De orkestratie was een geschenk van Nederland aan de jonge republiek lndonesië.

TERUG BIJ DE AVRO
Toen hij in 1951 terugkeerde uit lndonesië trad Cleber in dienst bij de AVRO, waar hij – samen met Gerard van Krevelen – het AVRO-Theaterorkest dirigeerde. Daarnaast kreeg hij van directeur Willem Vogt de opdracht een nieuw allround amusementsorkest samen te stellen. Eind april 1952 werd het nieuwe orkest, De Zaaiers – genoemd naar het grote wandplastiek boven de ingang van de AVRO-studio – aan de luisteraars voorgesteld. Een jaar later werd ook hier een Cosmopolitain Orkest opgericht, bestaande uit De Zaaiers, aangevuld met extra strijkers. ln de tweede helft van de jaren vijftig en de eerste helft van de jaren zestig was hij ook een van de vaste dirigenten van platenmaatschappij Phonogram. Hij maakte onder meer opnamen met Mieke Telkamp, Corry Brokken, Conny Stuart, Willy Alberti en Jules de Corte. Verder trad hij o.a. op met Yma Sumac, Lys Assia, Vera Lynn, Rosemary Clooney en Judy Garland.

AFRIKAANS UITSTAPJE
ln het voorjaar van 1962 vertrok Cleber naar Zuid-Afrika. Voor de Suid Afrikaanse Uitsaal Korporasie in Johannesburg zou hij een nieuw orkest formeren. Hij kon echter niet vol- doende musici vinden en keerde in 1964 terug naar Nederland. ln februari 1964 was hij weer bij de AVRO in Hilversum. Hij nam er opnieuw de leiding op zich van De Zaaiers en het Cosmopolitain Orkest. Pogingen om deze orkesten aan te passen aan de veranderende muzikale smaak, onder andere door uitbreiding van de ritmesectie, strandden vanwege geldgebrek. ln 1966 besloot de AVRO vanwege de steeds toenemende personeelskosten beide orkesten op te heffen. ln de zomer van dat jaar kreeg Jos Cleber een aanstelling als muziekadviseur bij de AVRO-televisie. ln deze functie was hij onder meer vanaf 1968 tot aan zijn pensionering in 1981 de producer van Jonge mensen op (weg naar) het concertpodium. Voor dit door Joop Stokkermans geregisseerde programma rekruteerde Cleber veelbelovende studenten van Nederlandse en buitenlandse conservatoria, die vervolgens de gelegenheid kregen hun muzikale talenten voor de televisie te presenteren. Hij arrangeerde veel muziek in verschillende genres voor het programma. Ook had Cleber de muzikale leiding bij het jaarlijkse Grand Gala du Disque.

VEELZIJDIG
ln de loop der jaren heeft Cleber veel gecomponeerd, o.a. muziek bij speelfilms, documentaires en radio- en televisiespelen. Hij orkestreerde de musical die Toon Hermans in 1952 schreef en die in 1953 door de AVRO-radio is uitgezonden. Cleber maakte in de loop der jaren ook honderden arrangementen, niet alleen voor zijn eigen orkesten, maar tevens voor het Metropole Orkest en het Promenade Orkest. Een groot deel hiervan bevindt zich in de collectie van de (in 2013 gesloten) Muziekbibliotheek van de Omroep.

ln 1981 ging Cleber met pensioen. Daarmee kwam ook een einde aan zijn muzikale carrière. Hij kreeg nu volop tijd om zich te wijden aan zijn grote hobby, het schilderen, totdat dit begin jaren ’90 door een blijvende motorische storing als gevolg van een licht herseninfarct onmogelijk werd. Na een kort ziekbed kwam op 21 mei 1999 plotseling een einde aan het leven van een man die bijna een halve eeuw lang actief was geweest in de meest uiteenlopende muzikale genres.

Jan Jaap Kassies

 Bron: artikel Rob van Putten

* Jos Cleber in de OmroepmuziekWiki (incl. werkenoverzicht in de omroepmuziekcollectie)

Op 2 juni 2016 zond RTi Hilversum deze Jos Cleber-aflevering van Co Snels radioprogramma Studio Hilversum uit.

OUD EN NIEUW, VAN ALLES WAT: 100 JAAR …TOM ERICH

Zondag 22 mei staat Co Snel in zijn programma ‘Studio Hilversum’ – op RTi Hilversum radio – stil bij de 105e geboortedag van Tom Erich. Dat feit vormt een goede aanleiding om onderstaand artikel van Charlotte Sienema opnieuw te publiceren, dat bij de 100e verjaardag van deze AVRO-coryfee op de MCOMB-website verscheen.

Tom Erich zegt: “De stiptheid van mijn Remova is telkens weer een verrassing voor me. Terwijl u dinsdagsavonds mijn herkenningsmelodie hoort, kijk ik op mijn Remova en zie: ’t is weer zo ver, precies kwart over zes!”. Dan zwelt de melodie en Tom begint zijn vlindervlugge spel. Zijn Remova danst mee op de cadans van de muziek, ‘t is shockproof en verdraagt dus de meest temperamentvolle aanslag. Onze toetsenvirtuoos kan het weten: Remova kan de zwaarste toets doorstaan!

Temperamentvol en vlindervlug. Zo wordt in een reclameadvertentie van horlogemerk Remova in de jaren ’50 de speelstijl van pianist Tom Erich omschreven. Tom Erich was in de jaren ’50 en ’60 een begrip. Iedere dinsdagavond om kwart over zes zond de AVRO-radio zijn programma Oud en nieuw, van alles wat uit. Een kwartiertje pianomuziek, ruim 20 jaar lang.

Tom Erich werd op 26 mei 1911 geboren in een gezin met 10 kinderen in de Amsterdamse Kinkerstraat. Zijn vader was eigenaar van 5 rijwielzaken en één van die zaken was voor Tom bestemd. Op zijn vijftiende verdiende hij echter al de kost in de muziek. Hij begon als pianist in café De Munttoren en kwam vervolgens bij het Apollotheater in Amsterdam terecht, als begeleider van stomme films. Daarnaast speelde hij in bars en restaurants. Zijn talent werd ontdekt door de groten van de Nederlandse kleinkunst en hij werd de begeleider van onder meer Louis Davids en Lou Bandy.

Tom Erich, Johnny Meyer, Wim Kastelein (?) en Lex Vervuurt (leden van AVRO-leans,  rond 1950)

Tom Erich, Johnny Meyer, Wim Kastelein (?) en Lex Vervuurt (leden van ensemble AVRO-leans, rond 1950)


In 1946 trad Erich in dienst van de AVRO. Hij zou hier tot zijn pensioen in 1976 blijven. Hij leidde tal van populaire ensembles als de Avroleans, Harmonetto, De Papavers, Melodie en Ritme en Tom’s Prairie Pioneers. Drie namen ontbraken daarbij nooit: die van zangeres Annie de Reuver, gitarist/zanger Eddy Christiani en accordeonist Johnny Meyer. Met Johnny Meyer, Wim Sanders (gitaar) en Ger Daalhuisen (bas) gaf hij tientallen langspeelplaten uit onder de titel Five o’clock tea. Op de Bonte Dinsdagavonden van de AVRO trad ditzelfde ensemble op als Koffiekamer Kwartet.

In de jaren ’70 waren de hoogtijdagen van de radio-ensembles voorbij. Op de radio werden steeds meer grammofoonplaten gedraaid. Oud en nieuw, van alles wat werd stopgezet. In een interview in het Algemeen Dagblad zei Erich hierover: “Nou, ik vind dat een beetje moeilijk. Kijk, gaandeweg werd er meer gepraat op de radio. Er kwam meer geklets. Voor het nieuws, tijdens het nieuws en achter het nieuws. En heel geleidelijk aan kwam ik er niet meer aan te pas. Ik voelde het aankomen. Ze zeiden wel dat de belangstelling terugliep, maar toen eenmaal de beslissing was gevallen dat ik zou ophouden met mijn programma, toen was de klap wel groot, natuurlijk”.

De jaren tot zijn pensionering was Erich medewerker van de afdeling lichte muziek bij de AVRO. Hij produceerde onder meer Muzikaal onthaal en De Arbeidsvitaminen.

Tom Erich stierf op 23 augustus 1978 na een auto-ongeluk. Hij werd 67 jaar.

Naast pianist/orkestleider is Erich ook bekend geworden als componist/arrangeur. Hij schreef honderden liedjes, veelal op teksten van Stan Haag en Anton Beuving. Heel bekend werd Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen (tekst: Nick Holwerda) in de uitvoering van Annie de Reuver en Karel van der Velden met het orkest The Skymasters o.l.v. Bep Rowold. Andere bekende liedjes zijn: Kleine Greetje uit de polder, ‘s Avonds als het kampvuur brandt en Vanavond om kwart over zes ben ik vrij. Dit laatste liedje bereikte in de uitvoering van Willeke Alberti zelfs de hitparade.
Bronnen:
• twee interviews met Tom Erich uit 1976 (waarvan één uit het AD van 2 juli 1976).
Uitgaven van Tom Erichs composities in de omroepmuziekcollectie

Beluister ook Co Snels Erich-hommage t.g.v. diens 105e geboortedag.

AMONG MY SOUVENIRS, HERINNERINGEN AAN JAN CORDUWENER

Jan_CorduwenerJan Corduwener werd op 14 juli 1911 in Leiden geboren. Zijn vader was kleermaker. Jan was de jongste zoon en kwam al vroeg in aanraking met muziek. Hij volgde een vioolopleiding bij de Maatschappij ter Bevordering van de Toonkunst. De jonge Corduwener slaagde voor het toelatingsexamen van het Conservatorium. Zijn eerste optreden was als 14-jarige in het orkest Carl Dassi in Astoria aan de Vijzelstraat in Amsterdam. Jan kon zich niet volledig aan de muziek wijden, want pa Corduwener werd ziek en Jan moest aan het werk om de kost te verdienen. In vrije tijd studeerde hij piano. Leerde daarnaast hammondorgel, vibrafoon, gitaar en diverse blaasinstrumenten bespelen. Uiteindelijk ging Jan professioneel aan de slag in het orkest van het Tuschinksi Theater o.l.v. Max Tak. In 1943 musiceerde Corduwener in orkesten van de Nederlandsche (Staats) Omroep. Jan was kort violist van het in 1945 opgerichte Metropole Orkest o.l.v. Dolf van der Linden (eerste uitzending 25 november 1945).

Among_my_souvenirs_Jan_CorduwenerSWEET FOUR
Op 7 oktober 1946 ging het eerste programma van het Kwartet Jan Corduwener de ether in, met Jan als multi-instrumentalist op viool, accordeon, vibrafoon, orgel, en hawaiian guitar. Hij bleek ook een verdienstelijk zanger te zijn. Jan kreeg aanvankelijk assistentie van drie leden van het Metropole Orkest: Manny Oets, piano, celesta en spinet; Tonny van Hulst, gitaar en Tonny Limbach, bas. Gitarist Jan Mol en organist Cor Steyn, voor deze gelegenheid aan de piano, maakten later ook deel uit van het kwartet. De herkenningsmelodie was Among my souvenirs. Het Kwartet speelde 20 minuten non-stop. Door de zoete klanken werd het gezelschap ook wel The Sweet Four genoemd. Ze speelden o.a. The old spinning wheel en Eens zal de Betuwe in bloei weer staan. Op plaat verschenen in 1946 Mamma, zijn naam is Johnny, In 1947 Grootvaders klok en Allegaartje, in 1948 Nola en in 1949 Elfenbal, een compositie van Guus Jansen, die hij later Elfinette noemde. Het bleek dat Jan’s vrouw Laura meeschreef aan de arrangementen voor het Kwartet. In 1955 verscheen nog een EP van het ensemble, dat niet meer op de radio was te horen met nummers als Si vous l’aviez compris en Play a simple melody.

jan corduwener_kwartet_dubbelIN STRICT DANSTEMPO
In 1949 kwam Corduwener in vaste dienst van de VARA. In de herfst van 1950 ontstond het Ballroom-orkest. Hij wilde beslist niet de stijl van de Engelsman Victor Silvester kopiëren. De formatie klonk dan ook fris, mede dankzij Cor Steyn die in de begintijd aan het hammondorgel zat. Jo Bos hanteerde de piano; Jan Hondeling, klarinet, Jan Mol gitaar; Ger (toen nog Gerrit) Daalhuisen, bas en Bill van de Heuvel, slagwerk. Cor Steyn heeft ook enige tijd het hammondorgel in het kwartet bespeeld. Op het repertoire stonden alle mogelijk quicksteps, foxtrots, Engelse en Weense walsen, tango’s, rumba’s en samba’s. De radio-uitzendingen werden druk beluisterd en de grammofoonplaten van het Ballroom-orkest gretig verkocht en goedgekeurd door dansleraren. LP’s met titels als Dance delight, Ballroom memories en Calling all dancers. Melodieën, die ook op 78 en 45 toeren verschenen als Whispering, Cheek to cheek, Look for the silver lining, maar ook de hits van het moment in medleys, zoals in 1957 Net als toen en Round and round, in 1958 Volare en Sail along silv’ry moon en in 1959 Piove en Tom Dooley. In dat jaar verscheen ook een LP met melodieën uit de musical My fair Lady. Het Ballroom-orkest werd daarbij versterkt door strijkers. De enige opname die nog wel eens terugkeerde op verzamel LP’s en CD’s was die van het Ballroom-orkest uit 1953: Een dansliedje deint, rond 1943 geschreven door pianist Joop de Leur en tekstdichter Jacques van Tol.

THEATERORKEST
In 1953 maakte Corduwener ook een opname met zijn zoontje Robbie. Dat werd Robbie’s avondgebed op de wijs van God bless us all, een hit van het Amerikaanse sproetenjoch Jimmy Boyd, bekend van I saw mommy kissing Santa Claus of het duet met Frankie Laine, getiteld Tell me a story. Op de B-kant zong Hansje den Heyer het lied Hansje’s droomschip. Een terzijde voor de liefhebber. Rond 1953, ontstond ook het Theaterorkest. Voor de grammofoonplaat werden vooral de bekende salonmuziek opgenomen, zoals Stettiner Kreuzpolka (Kruispolka, in de volksmond gezongen als Oh, mijn lieve zwartkop, voel toch eens hoe mijn hart klopt), de walsen Frühlingsboten, Les patineurs (Schaatsenrijderswals) en Valse Basque (Spaanse wals, in de volksmond verbasterd tot Gooi je schoonmoeder van de trap). Corduwener had kennelijk iets met klokken, getuige opnamen van Vineta Glocken, The clock is playing en niet te vergeten de sublieme opname van In a clockstore (Im Uhrenladen), waarin de hele klokkenwinkel wordt opengegooid. Dergelijke platen werden tot 1965 steeds opnieuw uitgebracht.
Robbies_avondgebed_Jan_Corduwener
AL IS HET NIET MET DE BRUID
Op dat repertoire ook The Veleta. Enig misverstand ontstaat doordat er een opname is van het Theaterorkest en ook van een kleinere salonbezetting. Maar, die Veleta werd rond 1957 ook gespeeld door het Veleta Sextet van de mysterieuze Melchior. De zesmans formatie speelde de mazurka’s, polka’s en Weense walsen naast de quicksteps, foxtrots, e.d. gebracht door het Ballroom-orkest Jan Corduwener in diverse danszalen in het land. Het Veleta Sextet werd enkele jaren later vervangen door het Trianon Sextet. Omroeper Coen Serré, de vader van nieuwslezer Raymond Serré riep aan het begin: “Dansen……Al is het niet met de bruid”. Daar komt ook het verhaal vandaan dat Corduwener zo graag met Coen Serré werkte. Het was Corduwener echter worst wie zijn programma’s aankondigde. Het kwartet speelde non-stop en bij zijn kwintet – midden jaren ’50 – was het al niet anders. Corduwener speelde hammondorgel: Harry Mooten, accordeon; Wim Sanders, gitaar; Ger Daalhuisen, bas en Cor van den Berg, slagwerk. Er zijn officieel geen platen van dit gezelschap verschenen. Maar op een actie LP uit 1958 ten bate van de Prins Bernhard Stichting, begeleiden de vijf wel degelijk Annie de Reuver, Max van Praag (Annie en Max ook als het duo De Meeuwen) en het meisjeskoor Sweet Sixteen. Instrumentaal is het kwintet op die 25 cm LP te horen met Hoor de muzikanten, de hit van Vrij en Blij o.l.v. Wessel Dekker in 1949/1950 en het Napolitaanse songfestivalliedje Lazzarella van Domenico Modugno uit 1957. Het Kwintet Corduwener zorgde ook voor de muzikale omlijsting bij de VARA-quiz Je neemt er wat van mee, geleid door Theo Eerdmans. Omroepster Netty Rosenfeld assisteerde en zong de herkenningsmelodie.

ONDERSTEUNING IN DE PLATENSTUDIO
Kleinere formaties van Jan Corduwener begeleidden het kinderliedrepertoire van het Deldo duo (Leny Delsen en Henk Dorel). Ook het kinderkoor De Merels en het meisjeskoor De Krekels (beide VARA) – in de jaren ‘50 nog o.l.v. Leida Hulscher – werden in de platenstudio muzikaal ondersteund door Corduwener en zijn musici. Dat gold ook voor het KRO-kinderkoor De Karekieten o.l.v. Willy François, waarbij ook kerstliedjes. Had Cor Steyn Willy Alberti in 1941 bij het lied Mijn sprookjesboek begeleid, in 1955 zat Corduwener aan het hammondorgel, toen Willy het lied nog eens over zong met op de B-kant Ik hou van jou, mooi Amsterdam. Een afgeleide van het Theaterorkest begeleidde Alberti vanaf 1952, waarbij ook een zestal opnamen met Sweet Sixteen o.l.v. Lex Karsemeyer. Titels als Ci-ciu-ci, Ricordate Marcellino en Mia cara Carolina van Van Wood (Peter van Houten). Annie de Reuver, die meestal door Tom Erich en zijn ensembles werd begeleid, kreeg bij Het lied van het pierement in 1953 een orkest o.l.v. Jan Corduwener als ondersteuning. Max van Praag maakte ook enkele opnamen met Corduwener. Bijvoorbeeld op de LP uit 1958 met liedjes van Dirk Witte, waarbij Mens durf te leven, Liedje van verlangen en M’n eerste. Laatstgenoemd liedje over het meisje van de zangvereniging verscheen al in 1955 op 78-toeren plaat. De zangvereniging was een dameskoor o.l.v. Lex Karsemeyer.

OPMERKELIJKE PRODUCTIES
In 1957 maakte Jan Corduwener een EP met zanger Archie Lewis, o. a. Just a prayer en If you go. Een EP en LP met Leslie ‘Porgy’ Scott, die inderdaad de rol van Porgy had gespeeld in de opera Porgy and Bess van George en Ira Gershwin. Met Jan Corduwener en zijn orkest zong Leslie standards als Love is here to stay en All the things you are en spirituals als Go down Moses en Swing low, sweet chariot. Met bassist Tom Dissevelt leidde Corduwener een orkest achter Rita Reys op de LP Her name is Rita met songs als Old devil moon, He’s my guy en Please be kind. In de jazzhoek had men Corduwener niet verwacht. In 1958 verschenen kort na elkaar twee LP’s van het Theaterorkest. De eerste was genoemd naar het vrijdagavondprogramma Pennies from heaven, met als ondertitel: een regen van bekende melodieën wordt over u uitgestort door een keur aan zangsolisten en het Theater orkest o.l.v. Jan Corduwener. Op die eerste instrumentale langspeler onder meer Marching strings van Ray Martin, Misty van pianist Erroll Garner en Spirito, gecomponeerd door Coen van Orsouw. De tweede LP was genoemd naar de oude herkenningsmelodie van Corduwener: Among my souvenirs. Op deze schijf naast standards ook Nederlandse composities als Joy ride van Jan Vuik (van Het Hotcha Trio), Rickshaw ride van Jos Cleber en Laura, een eigen compositie van Corduwener opgedragen aan zijn vrouw. Een ode aan een andere dame, genaamd Marlene staat op een EP van Jan Corduwener en zijn orkest uit 1960. Andere melodieën in vooral radio-uitzendingen van zijn hand waren Boogie woogie, Tutti frutti, Hammond polka, Hobby horse en Schip als jij vaart naar dromenland.

STEREO EN NEW SOUND
Rond 1961 verscheen er een EP van het Theaterorkest, die in Audiowinkels werd gebruikt om de stereo te testen. Het waren ping pong stereo-opnamen van bijvoorbeeld The whistler and his dog en Dancing tambourine. Verder leidde Jan Corduwener formaties als Proficiat, Cantarina, een Tromboneorkest, het Amusementsorkest Strijk en Zet, het Grand Gala Orkest wat niets te maken had met het Grand Gala du Disque, een Musette Orkest en een Septet.

In 1961 ontstond een New Sound voor de grammofoonplaat. “Ik ben er altijd een tikje huiverig voor geweest om iets een nieuw geluid, een new sound te noemen”, zei Corduwener, “maar wat er in You’re party at home gebeurt, is die benaming toch heus waard”. Het orkest bestond uit drie saxen, een trompet, trombone, piano, bas, drie gitaren en twee drummers: vader en zoon Kees Kranenburg. Op de LP vindt men medleys met o.a. Wooden heart, Are you sure?, Wonderland by night en Non je ne regrette rien.

FINALE
Het werk in de platen studio liet Corduwener steeds meer over aan Jack Bulterman, Bert Paige en Ger van Leeuwen. Zijn orkest is nog te horen op ‘n Beetje door Teddy Scholten (het winnende liedje van het Eurovisie Songfestival in 1959) en bij de liederen van Max Tak, die Willy Alberti in 1962 in potpourri-vorm en in 1965 helemaal vertolkte. Niet lang daarna overleed Jan Corduwener in Vreeland op 10 maart 1966. Slechts 54 jaar oud. Corduwener heeft de teloorgang van de live muziek op de radio net niet meer meegemaakt. Mede door bezuinigingen en andere muzikale belangstelling werden de programma’s van orkesten en ensembles steeds meer geschrapt.

Jan Corduwener had vier kinderen, drie zoons en een dochter. Zoon Jan Jr. was begin jaren ’70 deejay op Hilversum 3. Voor de NOS presenteerde hij op vrijdagmiddag, later –avond, de Jan Corduwener Show met onder meer het Europees Popparlement. Van 1983-1997 was Jan Jr. directeur van platenmaatschappij Phonogram. Hij is David Bowie in 1967 van Schiphol gaan halen voor een eerste optreden in Nederland. Het woord bizar wordt vaak fout gebruikt, maar is nu wel op zijn plaats. Bizar was het dat Jan Jr., nadat hij maandag 11 januari 2016 in de belangstelling was geweest om over Bowie te vertellen, twee dagen later overleed op 77-jarige leeftijd. We konden hem niet meer vragen waarom hij nooit een fatsoenlijke CD serie met opnamen van zijn vader heeft laten uitbrengen. Het mag duidelijk zijn dat musicus Jan Corduwener er in zijn korte leven heel veel heeft gemaakt.

Co Snel

Beluister ook Co Snels Corduwener-hommage t.g.v. diens 50e sterfdag.