Categorie archief: Mudako

HANS LACHMAN EN DE ANDEREN; OVER DE TOEGANKELIJKHEID VAN CULTUREEL ERFGOED

Het komt voor dat iemand zich herinnert dat ergens in Hilversum een kelder is waarin zich interessante bladmuziek bevindt. Tot deze op 1 augustus 2013 werd gesloten was de Muziekbibliotheek van de Omroep de grootste toegankelijke collectie bladmuziek in ons land, sinds die dag is het de grootste ontoegankelijke muziekcollectie. De bezuinigingen van het (vorige) kabinet hadden naast o.a. het Theater Instituut Nederland, Muziek Centrum Nederland en het Nederlands Muziek Instituut ook het Muziekcentrum van de Omroep resp. doen verdwijnen c.q. zwaar getroffen. Ook voor die fatale datum genoot de Omroepmuziekbibliotheek (MCO-MB) niet de bekendheid die een dergelijke unieke instelling toekomt. Doordat ze van oudsher ‘facilitair’ was aan de omroepmuziekensembles (orkesten en koor) had ze geen eigen gezicht buiten de omroepwereld c.q. Hilversum.

Tijdens de laatste jaren van haar bestaan heeft de MCO-MB echter – vooral dankzij de website en de social media – veel contacten opgebouwd en onderhouden met andere instellingen en personen in het muziekleven. Een belangrijke factor hierbij was dat meer aandacht werd geschonken aan bijzondere vondsten in de collectie. Een paar voorbeelden: toen een aantal handschriften van strijdliederen van Hanns Eisler was ontdekt (in 1933 voor de VARA gecomponeerd) heeft Werner Herbers er een deel van opgenomen met het Metropole Orkest. Hiervan is een deel gebruikt in een item voor het programma OVT van VPRO-radio. Toen op instigatie van Toon Hermans-biograaf Jacques Klöters de bladmuziek van de musical werd gevonden die Hermans zelf heeft geschreven is het idee opgevat deze na ruim 60 jaar weer tot leven te wekken.

Na de sluiting van de MB toonde de redactie van VPRO’s muziekprogramma Vrije Geluiden interesse. Zo ontstond in samenwerking met ondergetekende het plan een aantal parels uit de MB-collectie op te nemen voor tv-uitzending. Na de Aubade voor harp van Jurriaan Andriessen, enkele bigbandarrangementen en het herontdekte Pianotrio van Hans Henkemans is het op 17 mei a.s. de beurt aan een van de ca. 20 hoorspelmuzieken die Jurriaan Andriessen componeerde: De prins die de hik had (1947, tekst: Alexander Pola), waaruit een fraaie selectie te horen/zien zal zijn.

Al deze voorbeelden tonen onmiskenbaar het belang aan van de collectie.

Twee voorbeelden: Hans Lachman en Boy Edgar

Begin deze maand werd in het Limburgse Grubbenvorst het Requiem van Hans Lachman uitgevoerd, bijna 55 jaar na de première/radio-uitzending. Heel goed dat dit werk èn zijn zeer bijzondere ontstaansgeschiedenis weer onder de aandacht worden gebracht. [Op 2 en 3 mei was het Requiem in memoriam van Pastoor Henri Vullinghs uit Grubbenvorst te horen via Radio 5. Luister terug:  deel 1 (EO) en deel 2 (IKON), red.].

Hierbij moet wel worden aangetekend dat het nog beter was geweest als iemand bij de voorbereiding van dit project op het idee was gekomen om informatie te vragen bij de Omroepmuziekbibliotheek. Hans Lachman heeft immers meer dan 15 jaar veel gecomponeerd en gearrangeerd voor uiteenlopende radio-ensembles. Meer dan honderd handschriften zijn hier bewaard, waarvan een deel te vinden is op deze website.

Eerste pagina manuscriptEnkele jaren geleden is de Leo Smit Stichting, betrokken bij dit project, geïnformeerd over de aanwezigheid van vele handgeschreven werken van o.a. Hans Lachman (en ook o.a. Wilhelm Rettich, Israel Olman, Hans Krieg, enz. enz.) Daarom is het merkwaardig dat nu gewerkt is met kopieën van de bladmuziek van het Requiem, terwijl het origineel zich in Hilversum bevindt (zie bijlage: eerste pagina van het partituurmanuscript).

Helaas vormt dit geval geen uitzondering; des te plezieriger is het als de weg naar de Heuvellaan wel wordt gevonden (de MB-collectie is te vinden in het voormalige VARA-studiogebouw aldaar). Zo kwam onlangs een vijftal bezoekers langs om handgeschreven arrangementen voor Boy’s Big Band te bekijken resp. (daarvan) opnamen te maken t.b.v. een documentaire over de leider van die band, die in de jaren ’60 vele opnamen voor de VARA heeft gemaakt: Boy Edgar. Een rondleiding die een medewerker van het Nederlands Jazz Archief eens kreeg in de collectie had geresulteerd in een mail aan schrijver dezes met de vraag of er nog Edgar-materiaal in de collectie aanwezig is, dat kan worden gebruikt bij een concert (15 november a.s., Bimhuis) ter herdenking van de in 1915 geboren jazzgrootheid. Er bleken 30 titels bewaard te zijn gebleven, waaruit nu een selectie wordt gemaakt voor genoemd evenement.

Als er een (fysiek/digitaal) ‘loket’ was om informatie te vragen over de collectie van de Omroepmuziekbibliotheek, zou het vinden van materiaal niet meer afhankelijk zijn van ‘toevallige’ contacten.

Analyse Raad voor Cultuur
Op 8 april publiceerde de Raad voor Cultuur de Agenda Cultuur 2017-2020 (en verder). Dit rapport bevat een analyse van de huidige stand van de erfgoedsector in Nederland, en adviezen aan de minister van OCW om hierin verbetering te brengen. Onder de kop ‘kennisborging erfgoed’ staat:

‘In het erfgoeddomein is er sprake van een verlies van bestaande kennis en expertise. In alle deelsectoren blijkt dit een toenemend probleem. De kennis die uitstroomt wordt onvoldoende overgedragen, waardoor lacunes ontstaan. Daarnaast zijn door de bezuinigingen de plekken om in te stromen afgenomen.’

(…)

‘Om archieven ook in de toekomst toegankelijk te houden zijn specialistische kennis en vakmanschap onmisbaar.’

(…)
(p. 120)

Archieven van bedrijven [...] kunnen even belangrijk zijn als overheidsarchief om het verleden in samenhang te kunnen kennen.

(Dit geldt in hoge mate voor de MB-collectie: hierin bevindt zich immers een groot deel van de muziek die vanaf ca. 1925 door de Nederlandse omroep via radio en tv is gebruikt – en daarmee een aanzienlijk deel van het ‘collectieve auditieve geheugen’ heeft beïnvloed. Hoorspelen, herkenningsmelodieën van ensembles en programma’s, die een integrerend onderdeel vormen van de omroephistorie, maar ook ‘geëngageerde’ muziek die de tijd van ontstaan weerspiegelt.)
(p. 121)

‘In de Archiefvisie 2011 bevestigde de staatssecretaris dit principe krachtig. De raad heeft aansluitend daarop geadviseerd een fonds voor particuliere archieven in te stellen om te voorkomen dat deze tussen wal en schip raken.’

(Op 1 november 2012 publiceerde ik een blog met de titel ‘Tussen wal en schip’, als reactie op een uitspraak van Diederik Samsom bij de presentatie van het regeerakkoord van Rutte-2.)

‘Particuliere archieven worden immers niet beschermd door de Archiefwet, terwijl ze ook niet door de Wbc als beschermd cultureel erfgoed zijn aangewezen. Onder invloed van bezuinigingen is een dergelijk fonds er niet gekomen. De afgelopen jaren hebben een reeks van incidenten laten zien waarbij archiefcollecties als die van het Tropeninstituut, de Wereldomroep, de collectie van Museum Enschede, de Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep en andere particuliere collecties verloren dreigen te raken of al verloren zijn geraakt. Wil de Archiefcollectie NL daadwerkelijk gestalte krijgen, dan zal dit onderwerp actief door de overheid moeten worden geagendeerd.’

Iedereen die enig idee heeft van de omvang èn rijkdom van de collectie van de Omroepmuziekbibliotheek vraagt zich nu af welke overheidsinstantie dit advies van de Raad voor Cultuur ter harte neemt en concrete stappen gaat nemen om dit unieke erfgoed (vandaag precies een jaar en negen maanden geleden gesloten) weer toegankelijk te maken voor geïnteresseerden.

Naschrift: in een artikel in Trouw (7 april 2015) n.a.v. de uitvoering van het Requiem van Hans Lachman wordt de hoop uitgesproken dat zijn werk meer bekendheid zal krijgen. Ook is nagedacht over mogelijkheden om het Requiem bij toekomstige uitvoeringen met ander werk te combineren. Voorstel: voer dan ook Jiskor uit, voor bariton, koor en orkest (de handgeschreven partituur is te vinden op deze site). (Merkwaardig genoeg wordt in dit artikel eerst vermeld dat een opname van het Requiem op 4 mei 1960 via de radio is uitgezonden, en vervolgens dat van de aanwezigen bij de uitvoering op 9 april jl. ‘met uitzondering van de uitvoerenden niemand het stuk ooit heeft gehoord’. Zoals in de op 28 april jl. uitgezonden documentaire Requiem te horen was hebben inwoners van Grubbenvorst in 1960 gezamenlijk naar de radio-uitzending geluisterd.

Dat het Requiem nu wordt gepresenteerd als ‘Van Limburg Requiem’ is enigszins curieus: op de eerste partituurpagina vermeldde de componist (die geboren was als Heinz Lachmann en artikelen over lichte muziek schreef onder de naam ‘H.J. van Limburg’) zijn ‘vernederlandste’ naam: Hans Lachman (hij verkreeg in mei 1951 de Nederlandse nationaliteit).

Jan Jaap Kassies

Werkenlijst:
Selectie Hans Lachman-composities in de collectie van de voormalige Muziekbibliotheek van de Omroep
• arrangementen voor o.a. de Minnestreels en ruim 30 voor het Metropole Orkest (wsch. alle daterend uit de jaren 1945-1960)
Partituren op muziekschatten.nl

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de MuDaKo-blogsite.

JURRIAAN ANDRIESSEN IN HILVERSUM

De componist Jurriaan Andriessen (1925-1996) genoot in de ca. 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog een grote faam. De laatste kwarteeuw van zijn leven werd zijn naam aanzienlijk minder vaak gehoord.

Hij werd op 15 november 1925 in Haarlem geboren. Toen hij negen jaar was verhuisde het gezin Andriessen naar Utrecht, waar zijn vader, de componist Hendrik Andriessen, organist werd van de Utrechtse Kathedraal en directeur van het Utrechts Conservatorium. Als kind componeerde hij ijverig met zijn vader mee – in het gezin werd iedere vorm van muzikaliteit als een doodgewoon familieverschijnsel gezien.
Job Wilderbeek gaf hem zijn eerste muzieklessen, en op het Utrechts Conservatorium studeerde hij theorie en compositie bij zijn vader, piano bij Gerard Hengeveld en André Jurres en bij Willem van Otterloo directie.

Het voldoen aan ‘opdrachten’ was iets waarmee Jurriaan al vroeg vertrouwd raakte, want het huiselijk musiceren lokte vanzelf speelstof uit. In zijn conservatoriumjaren schreef hij al enkele stukken die hun weg naar het podium vonden, en kort na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij zijn eerste opdracht bij ‘de radio’. In de jaren ’50 componeerde hij onder meer voor de KRO-kinderrubriek De Wigwam stukjes die hij uitvoerde met een ensemble van fluit, hobo, klarinet, fagot en harp, het Wigwamorkest genaamd. Ook was hij muzikaal leider van o.a. de ensembles Molte Corde, Ritme en Rijm en de Disco’s.

In diezelfde jaren was hij in Hilversum ook actief als jazzpianist, onder de naam Lesley Cool, meestal in comboverband, met gitaar, bas en slagwerk.

Jurriaan Andriessen schreef muziek bij ca. 20 hoorspelen, en – in opdracht van de Nederlandse Radio Unie – twee grote werken die speciaal voor radio-uitvoering bestemd waren: De Bremer Stadsmuzikanten op tekst van Hélène Nolthenius en de opera Perdita op een libretto van Tom Bouws.

Andriessen is altijd veel ‘toegepaste’ ofwel ‘gebruiksmuziek’ blijven schrijven. Zo componeerde hij ook veel toneelmuziek (vooral voor de Haagse Comedie). Hij regisseerde verder veel televisieconcerten.

In januari 1947 schreef hij voor de KRO-radio muziek bij De prins die de hik had, een hoorspel ‘naar een Engelsch sprookje van Anthony Armstrong voor de microfoon vrij bewerkt door Alexander Pola’. Hij voltooide de partituur op 27 januari, en een week later, op maandag 3 februari werd de opname gemaakt. De bezetting: fluit, hobo, klarinet, fagot, trompet, slagwerk, viool, altviool, cello en piano. Regisseur was Herbert Perquin. [Op 7 maart 1947 verscheen een recensie in De Waarheid, red.]Manuscript van 'De prins die de hik had'

Manuscript van ‘De prins die de hik had’

Op 17 mei zond het VPRO-tv-programma Vrije Geluiden delen uit van het hoorspel in een uitvoering van het Ad Hik Orkest olv Jeroen Wentel (met Steven Joles als verteller).

De prins die de hik had is één van de ca. 50 handgeschreven composities van Jurriaan Andriessen in de (per 1 augustus 2013 gesloten) Muziekbibliotheek van de Omroep (MB). Dit aantal betreft alleen de ‘klassieke’ stukken van zijn hand; naar schatting tussen de 100 en 200 titels in de collectie bevatten muziek die hij voor radioprogramma’s schreef/arrangeerde op het gebied van de lichte muziek en de jazz. Doordat veel werken na (radio)opname/uitvoering onuitgegeven bleven is zijn ‘officiële’ werkenlijst verre van volledig. Veel composities van hem zijn gepubliceerd, maar ook veel bleef handschrift. De geïnteresseerde lezer kan een indruk krijgen van zijn grote veelzijdigheid en productiviteit door deze link te volgen.

Op deze muziekschattensite is o.a. de Missa Deo gratias voor koor en orkest te vinden, maar ook Arbeid en Christendom, (orkest)muziek bij een klankbeeld van Tom Bouws (1957), De droom van Gerontius (1955, hoorspelmuziek voor koor en orkest), de Wilhelmus-Fantasie Een Prince van Oraengien voor 2 ‘kopergroepen’ met slagwerk, koor en orkest (gecomponeerd in opdracht van de NOS ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van Koningin Juliana in 1973), een Intrada voor 21 koperblazers, Variaties voor piano over Zie ginds komt de stoomboot (1951) èn de opera Kalchas, voor 3 mannenstemmen en orkest, naar een toneelstuk van Tsjechow (1959).

Bron: Wouter Paap – Jurriaan Andriessen (in: Mens en Melodie, jg. XIII, nr. 4 (1958), p. 98-103)

Jan Jaap Kassies

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op de MuDaKo-blogsite.

Lees ook: Jurriaan, Rosa, Regina en Melchior

BIJ DE 50e STERFDAG VAN ANTHON VAN DER HORST

Op 7 maart 1965 overleed ‘een van de markantste figuren binnen het Nederlandse muziekleven van de 20e eeuw’: Anthon van der Horst. Deze omschrijving is van de hand van Gert Oost, niet alleen een van zijn laatste orgelleerlingen, maar ook zijn biograaf.

De meeste bekendheid verwierf Van der Horst als dirigent van de Nederlandse Bachvereniging. De Naardense Matthäus-Passion-traditie, door Johan Schoonderbeek gesticht, kwam onder zijn handen tot grote bloei. Van 1931 tot 1964 was hij dirigent van dit gezelschap. In deze periode werd de Naardense Matthäus een volwaardige tegenhanger van die van Mengelberg in Amsterdam.

Hij was ook een uitstekende organist en pianist, een dirigent die o.a. voor vele koren en het Concertgebouworkest stond, een wetenschapsman die zich intensief met de uitvoeringspraktijk bezighield (op dit gebied verrichtte hij veel voorwerk in Nederland) èn een belangrijke pedagoog die een groot aantal belangrijke organisten opleidde, onder wie Albert de Klerk, Meindert Boekel, Piet Kee en Bernard Bartelink. In 1948 werd hem vanwege zijn grote kennis van de kerkmuziek door de Theologische Faculteit van de Groningse Universiteit een eredoctoraat verleend.

Het componeren stond echter voor Anthon van der Horst zelf op de eerste plaats.

Beeld J. D. Noske Anthonie van der Horst werd op 20 juni 1899 geboren in een eenvoudig Amsterdams gezin. Al zeer jong werd zijn muzikale talent ontdekt. Op vierjarige leeftijd speelde hij met zijn vader de symfonieën van Beethoven in een transcriptie voor piano à quatre mains, twee jaar later schreef hij zijn eerste compositie voor tenorsolo, mannenkoor en orkest, en als tienjarige was hij de vaste orgelsolist en begeleider bij een ensemble van zijn vader.

Hij kreeg op het Amsterdams Conservatorium muziektheorie van Anton Tierie, orgelles van Jean Baptiste Charles de Pauw, en compositie van Bernard Zweers.

In 1927 verhuisde het gezin Van der Horst van Amsterdam naar Hilversum. Hier was hij de volgende decennia vooral nauw betrokken bij de V.P.R.O. (later VPRO). Toen deze omroep in 1936 het 10-jarig bestaan vierde in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeerde Van der Horst de toegestroomde menigte (2000 mensen), de gemeenschappelijke koren (750 zangers), orkest en orgel in een aantal muzikale intermezzi. Een nog grotere happening met 6 à 7000 mensen vond op 25 september 1938 plaats ter gelegenheid van het 12½ –jarig bestaan van de VPRO in de Houtrusthallen in Den Haag. Voor die gelegenheid componeerde Van der Horst een Jubileumcantate, na paukengeroffel – de dreiging van de tijd weergevend – beginnend met het VPRO-lied De Wachters, op tekst van (directeur) Ds. E.D. Spelberg en muziek van Anthon van der Horst.

De ‘gemiddelde Nederlander’ in de jaren ’50 tot ’65 kende de naam Anthon van der Horst vooral van de ‘Dagopening’ (dinsdag en donderdag) en de ‘Morgenwijding’ (vrijdag en zaterdag) van de VPRO-radio, waarbij hij met een ongelooflijke trouw piano of orgel speelde.

Zijn omvangrijke oeuvre bevat werken in vele genres: liederen, koorwerken, 3 symfonieën, orgelwerken en kamermuziek. Hij ontwikkelde een eigen toonsysteem, de ‘modus conjunctus’, dat hij in een aantal composities toepaste.

De (voormalige) Muziekbibliotheek van de Omroep bezit een aantal handgeschreven composities van Van der Horst, waaronder (een reproductie van) de Chromatische dubbelfuga voor strijkkwartet uit 1917 en het Intermezzo in E gr.t. uit 1941, eveneens voor strijkkwartet.

Verder bevinden zich in deze collectie o.a. een (onvoltooide) Triosonate voor fluit, viool en cello, de autograaf-partituur van het Concerto spagnuolo voor viool en orkest uit 1953, en Réveil voor koperblazers uit 1957, een tune voor NCRV-uitzendingen. Een letterspel levert de noten cis-d-f-a.

Op tekst van Jan Campert componeerde Van der Horst het declamatorium De achttien dooden, voor spreekstem en orkest.
Dat omroepverenigingen zich in andere tijden met andere zaken bezighielden blijkt uit enkele werken die hij in opdracht van de VPRO schreef: Avondmaal(s)hymne voor koor, koperkwartet en orgel (1957) en De eerste uit de doden (1961) voor koor en orgel.

Anthon van der Horst voltooide zijn laatste orkestwerk enkele maanden voor zijn overlijden: Salutation joyeuse, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Concertgebouworkest. Enkele maanden na zijn heengaan dirigeerde Bernard Haitink de première van de laatste groet van de componist aan het Nederlandse muziekleven, dat zoveel aan hem te danken heeft.

Salutation joyeuse is ook de titel van een bijzonder project in de Haagse Kloosterkerk in november. Op twee zaterdagmiddagen, 7 en 21/11, worden alle orgelwerken van Anthon van der Horst uitgevoerd door de organisten Geerten van de Wetering en Harmen Tromp, evenals het Concerto pour orgue et orchestre à cordes uit 1960.

Bron:
Gert Oost – Anthon van der Horst: leven en werken (Alphen aan den Rijn : Canaletto, 1992)

Jan Jaap Kassies

Dit artikel verscheen recentelijk op de MuDaKo-blogsite.

(HER)PREMIÈRE HENKEMANS-VONDST NA BIJNA 80 JAAR

Vrijdag 17 oktober beleefde een onbekend werk van de Nederlandse componist Hans Henkemans (1913-1995) na bijna 80 jaar onopgemerkt in ‘de kast’ te hebben gelegen zijn ‘(her)première’.

Bekijk/Download het Pianotrio van Hans_HenkemansHet betreft het onuitgegeven pianotrio dat hij in 1935 schreef voor violist Ferdinand Helmann, cellist Henk van Wezel (beiden lid van het Concertgebouworkest) en pianist George van Renesse. Het stuk is mogelijk eenmaal ‘voor de radio’ uitgevoerd en vervolgens, zoals vaker, opgeborgen en vergeten.

Door bemiddeling van Jan Jaap Kassies, oud-medewerker van de (in 2013 gesloten) Muziekbibliotheek van de Omroep, is een kopie van het handschrift ter hand gesteld aan pianist-dirigent Ed Spanjaard. Deze bracht in de Grote Kerk te Groede (Zeeuws-Vlaanderen) met zijn Trio Belle Image (verder bestaande uit violiste Emmy Verhey en cellist Lodewijk Spanjaard) een bevlogen uitvoering van het trio.

Spanjaard: ‘Het is een zeer trefzeker stuk; je herkent Henkemans’ persoonlijke klank èn de invloed van Willem Pijper. Het werk is compact, spannend en virtuoos, werkelijk een vondst.’

Op 1 maart 2015 zond het VPRO-programma Vrije Geluiden delen van het pianotrio en een interview met Ed Spanjaard uit:

Dit artikel verscheen recentelijk op de MuDaKo-blogsite.

EEUWELING MEINDERT BOEKEL

meindert-boekel_1965_GOKIn 1995 begon S.M.W. Bezemer zijn bespreking van de biografie van Caspar Becx over Meindert Boekel als volgt: “Er zijn (of er waren) in ons land mensen die gedurende hun leven grote bekendheid genoten, maar die na hun dood snel vergeten zijn. De oorzaak van hun bekendheid lag niet zo zeer in hetgeen ze nalieten, maar meer in de wijze waarop ze tijdens hun leven hun werk deden. De musicus Meindert Boekel (1914 – 1989) was zo iemand. Jarenlang was hij werkzaam als dirigent bij de NCRV en de Nederlandse Radio Unie, de latere NOS.
Zijn naam kwam regelmatig voor in de programmabladen en in de harmonie- en fanfarewereld was hij min of meer een begrip. Toch was hij na zijn pensionering in 1979 snel vergeten. Kwam dat omdat zijn (uitgebreide) oeuvre zo weinig mensen aansprak? Of was de bescheidenheid van deze wat stille Westfries de oorzaak? In een beknopte biografie probeert Caspar Becx een antwoord op de vraag te geven.”
Wat zes jaar na zijn overlijden gold, geldt na 25 jaar in nog sterkere mate. Reden om aandacht te besteden aan deze musicus, die decennialang een belangrijke rol speelde als koordirigent bij ‘de Nederlandse omroep’.

Lees verder op het MuDaKo-blog

Meindert Boekel in de OmroepmuziekWiki

DE VEELZIJDIGHEID VAN COR DE GROOT (1914-1993)

Halverwege zijn leven bevond Cor de Groot zich op het toppunt van zijn carrière: de Philips-catalogus vermeldde in 1953 talloze opnamen door de pianist van werken van Chopin, Albeniz, De Falla en pianoconcerten van Liszt, Morton Gould en Beethoven, alle drie met dirigent Willem van Otterloo. Otto Ketting omschreef (in het booklet bij de cd-box Willem van Otterloo – the original recordings 1951-1966, waarin de pianoconcerten nr. 1 en 2 van Rachmaninov en Beethovens derde) hun gedeelde muzikale opvatting: ‘verstandelijk maar niet emotieloos, uitgaan van de partituur en analytisch, geen toeters en bellen. Daarnaast was De Groot evenals Van Otterloo componist en zijn zicht op de grote vorm blijft steeds aanwezig’. Ketting noemt De Groot ‘de meest prominente pianist van zijn generatie’ (vermoedelijk dacht hij daar ‘Nederlandse’ bij).
Tussen 1937 en 1959 was hij 71 keer solist bij het Concertgebouworkest, o.a. in 1942, toen hij o.l.v. Paul van Kempen zijn eigen pianoconcert in Fis gr.t. uitvoerde. Hij had het al tien jaar eerder voltooid, en opgedragen aan zijn leermeester aan het Amsterdams Conservatorium, Ulfert Schults. (Een kopie van het handschrift is op deze site te vinden) . Op de laatste pagina’s heeft De Groot genoteerd welke uitvoeringen er van dit werk zijn gevolgd.)

Lees verder op de Mudako-blog